Dit had het moment moeten zijn dat pubers loskomen van hun ouders

Puberteit Nu pubers veel binnen zitten, verhouden ze zich vooral tot hun ouders. En dat terwijl ze juist allerlei anderen nodig hebben om te ontdekken wie ze zijn. „Tieners proberen dingen uit, om te voelen hoe dat is.”

Foto Getty Images

Zet je wekker – en niet vijf minuten voor de les begint.

Telefoon checken als je wakker wordt mag. Tien minuten.

Dan. Sta. Je. Op.

Ja, het maakt uit of je de hele dag in je pyjama rondloopt of in je kleren gaat slapen. En nee, ik ga niet uitleggen waarom.

De lockdown doet jongeren geen goed, daar lijkt men het inmiddels over eens te zijn. NOS Stories deed onlangs een enquête onder 9.000 jongeren, een op de drie gaf zijn leven een onvoldoende. Belangrijkste factoren: je vrienden niet zien, veel binnen zitten en het gevoel opgesloten te zitten in je hoofd. Hulpverleners in de jeugd-ggz zien een toename van aanmeldingen en maken zich zorgen. Juist over adolescenten: dit is de leeftijd waarop ze los moeten komen van hun ouders, en dat wordt nu de kop in gedrukt.

Sociaal-psychologisch experiment

Dat geldt ook voor tieners die niet in de jeugdhulpverlening zitten. Mijn dochter van twaalf, brugklasser, is zeer gesteld op haar vrijheid en voelt zich in toenemende mate gevangen. Belangrijke oorzaak is de gedachte dat dit misschien wel altijd zo zal blijven, een gedachte die ik niet volledig lijk weg te kunnen nemen, mijn optimisme ten spijt. En zelfs als het over een paar maanden, een half jaar, een jaar of anderhalf jaar beter wordt – op dit moment is de situatie behoorlijk statisch.

Loskomen van je ouders is een belangrijke ontwikkelingstaak van pubers en adolescenten. Een taak die op dit moment niet, of slechts halfbakken, kan worden volbracht. Dat maakt de lockdown een sociaal-psychologisch experiment waar geen ethische commissie ooit toestemming voor zou geven. Iedereen zit in de experimentele conditie: thuis, bij je ouders, op elkaars lip.

Waarom kan dat zo fnuikend zijn?

Lees ook: Opeens speelt hun leven zich in de slaapkamer af.

De adolescentie wordt wat de intensiteit van de emotionele transformatie betreft weleens vergeleken met de eerste jaren van een kind. „Het is de tweede periode van losmaking, waarin tieners zich gaan richten op leeftijdsgenoten in plaats van op hun ouders. Dat wordt hun nieuwe referentiekader”, zegt bijzonder hoogleraar in de gewetensontwikkeling en psychoanalyticus Frans Schalkwijk.

Het verschil is dat een peuter zijn driftbuien onder toeziend oog van zijn ouders moet uitleven, voegt kinder- en jeugdpsycholoog Lidewei Chavannes toe. Voor een tiener is dat nu juist níét de bedoeling. In de relatie met zijn ouders toont die zijn gevoelens ongefilterd. Dat is natuurlijk goed, maar niet zoals nu de hele tijd. Buitenshuis hoeven jongeren niet steeds het achterste van hun tong te laten zien, zegt Chavannes. Onder elkaar reguleren tieners hun gevoelens, onder meer vanuit schaamte. Zo ervaren ze hoe het is om zichzelf in te houden en leren ze volwassen worden.

Het ingewikkelde van te veel nabijheid tussen ouders en tieners is ook dat een ouder op dit moment te veel verschillende petten op heeft, denkt Chavannes. Troosten en motiveren, stimuleren en loslaten, begrenzen en vrijheid geven, focussen en afleiden. Taken die wel tot het pakket van een ouder behoren, maar die normaal gesproken gedeeld worden met een heel systeem van anderen: docenten, vrienden, kennissen, familie. Nu moet een ouder álles zijn, wat tot verwarrende en uitputtende confrontaties kan leiden: doe wat ik zeg en trek je eigen plan.

Tel daarbij op dat tieners in tegenstelling tot peuters een zelfevaluerend vermogen hebben, waardoor ze zich achteraf rot kunnen voelen over hun gedrag. Chavannes: „Moeten ze wéér sorry zeggen, en dat zouden ze helemaal niet moeten hoeven doen. Thuis zijn ze steeds die puber. Dat doet wat met hun zelfbeeld.”

Angsten en depressies

Een bijkomend effect van de pandemie is dat jongeren een besmettingsgevaar kunnen vormen voor hun ouders, zegt Schalkwijk. „Waar de puberteit normaal gesproken een periode is waarin je een kind meer moet laten, is er nu juist meer controle: waar ben je en met wie?”

Schalkwijk relativeert de potentiële schade – de meeste jongeren zullen hier geen blijvende last van houden. „Maar wie vóór corona al kwetsbaar was, kan wel verhevigde psychische problemen krijgen.” En de huidige lijdensdruk van jongeren in de vorm van angsten en depressies, is bovendien reëel op dit moment. Ook ziet Schalkwijk dat jongeren minder kansen hebben zich te ontwikkelen, wat voor tieners veelal gaat om het vormen van hun identiteit. „Tieners worden iemand door te doen: door zich op een bepaalde manier te gedragen, te kleden, te uiten. Ze proberen dingen uit, om te voelen hoe dat is. De mogelijkheden om dat te doen, zijn nu zeer beperkt.”

Een uniek ik

Toen mijn dochter laatst voor een schoolopdracht haar identiteit moest omschrijven, liep ze vast. Ik probeerde haar te helpen door wat steekwoorden te opperen. Brugklasser, meisje, danser, skater, gothic. Ze was niet tevreden. „Dat zegt toch niet hoe ik me vanbinnen voel?”

In Het einde van de psychotherapie beschrijft de Vlaamse hoogleraar klinische psychologie Paul Verhaeghe dat we veronderstellen dat identiteit verwijst naar een uniek ik. Etymologisch verwijst identiteit echter naar het geruststellende gevoel deel uit te maken van een groep waaraan men min of meer identiek is, schrijft hij. We behoren tot verschillende groepen en dragen daarom meerdere identiteiten met ons mee. En juist op grond daarvan ontstaat er continuïteit en stabiliteit.

Psychoanalyticus Frans Schalkwijk: „Een puber is niet meer tegelijkertijd de lastige leerling, de leuke vriendin, de sportieve of muzikale leeftijdgenoot, de lieve en soms lastige dochter. Dat betekent een tijdelijke verarming voor pubers, omdat zij hun identiteiten in het directe contact met anderen beleven. Volwassenen hebben, als het goed is, al die identiteiten al veel meer verinnerlijkt.”

Paul Verhaeghe schrijft bovendien dat deze identiteiten ons niet alleen een kader van normen en waarden geven, maar ook helpen met wat in de psychologie affectregulering wordt genoemd: hoe ga ik om met angst, woede en verdriet. En het is zingevend: wat is voor mij écht belangrijk?

Terug naar mijn vastgelopen dochter, die worstelde met het omschrijven van haar identiteit. Opeens schoot me te binnen haar te vragen te denken aan wat leraren over haar hadden gezegd tijdens oudergesprekken, en aan wat haar vriendinnen over haar zouden zeggen. Haar gezicht lichtte op. „Oké mam, nu kan ik het zelf.” Denken aan anderen hielp haar om naar zichzelf te kijken en zichzelf te voelen. De blik van haar moeder kent ze al twaalf jaar.

Deze maand verscheen Moeder natuur van schrijver en psychotherapeut Marte Kaan, een boek over hechten en loslaten. Uitgeverij Prometheus, 144 blz. € 19,99