Recensie

Recensie Boeken

Als het alleen maar om pecan-chocoladetaart draait

Britta Böhler Wie niet goed kan tegen stilzitten moet misschien iets anders doen dan een boek lezen, maar Britta Böhler neemt wel erg veel tijd om aan te boren waar ze het over wil hebben

Het kan niet anders of de makers van tv-programma De slimste mens wéten gewoon dat geen bekend mens weet wie Willem Frederik Hermans was. Om de zoveel afleveringen stellen ze een vraag over hem, en elke keer opnieuw moeten de deelnemers het antwoord schuldig blijven.

Dat zou de in Duitsland geboren Britta Böhler, bij u vooral bekend als strafpleiter, niet overkomen. De eerste alinea van haar tweede roman De juiste houding leest namelijk als een saluut aan de beroemde opening van Nooit meer slapen: ‘Elias haalde het kaartje er voor de tweede keer doorheen, maar het apparaat weigerde te gehoorzamen. De beveiliger schudde zijn hoofd en kwam uit zijn hokje. “Dit is niet bepaald een van uw talenten, professor”, zei hij. “Al de derde keer deze week toch?”’ Een stuk minder blafferig dan het ‘De portier is een invalide’ van Hermans, maar toch.

En ook is de Elias uit het bovenstaand citaat in zekere zin een van de ‘eeuwig bedrogenen van het universum’ waar Hermans zich zo graag over boog. Hij is een hoogleraar aan een Amerikaanse universiteit en bevindt zich in de herfst van zijn carrière, maar laat zich door een wat louche overkomende man, Tony geheten, overhalen om nog één maal zijn vroegere vak als advocaat uit te oefenen.

Tony beweert dat hij een lang verloren gewaand schilderij van Franz Marc heeft teruggevonden en Elias’ taak zal er uit bestaan om dit ‘De toren van blauwe paarden’, dat de nazi’s beschouwden als ontaarde kunst maar dat desondanks in de privé-collectie van Hermann Göring belandde, op de markt te brengen. Je voelt aan alles dat Elias niet toe zou moeten happen. Hijzelf ook. Maar hij doet het toch.

Zaterdagritueel

Wie niet goed kan tegen stilzitten moet misschien iets anders doen dan een boek lezen, maar Böhler neemt wel erg veel tijd om aan te boren waar ze het over wil hebben. De eerste honderd pagina’s kun je in een paar zinnen samenvatten, de rest van dat eerste romandeel bestaat uit beschrijvingen van het braafste allooi, met informatie over busverbindingen, het zaterdagse ritueel van Elias (The New York Times plus koffie) en een adres voor de lekkerste pecan-chocoladetaart. Bij schrijvers als Houellebecq of Murakami werken dit soort prozaïsche intermezzo’s, ze benadrukken bijvoorbeeld de productieloze levens van de personages, maar hier niet, hier gaat het echt alleen maar om de pecan-chocoladetaart.

De juiste houding blijft een schuwe roman, eentje die op te weinig momenten doordringt tot de vraag die eraan ten grondslag ligt, namelijk of we nog wel aan de waarheid hechten en of je ernaar zou moeten handelen. Dat heeft deels ook met de opzet te maken: dat deze ‘De toren van blauwe paarden’ een vervalsing is, is eigenlijk al vanaf het begin zonneklaar voor de lezer. En als Böhler in het boek een brug probeert te slaan tussen kunstvervalsing en politiek, dan krijg je de indruk dat ze de vingers toch niet aan het vraagstuk wil branden.

Er is een discussie tussen Elias en de uit Iran afkomstige vriend van dochter Mia, maar echt fout en mensonthullend wordt dat niet; je blijft tegen de maatschappelijke maskers aankijken. Dat ‘de’ roman een schrijver ontzettend veel vrijheden biedt heeft ook een keerzijde: wie ze níét benut levert al snel een tam werk af.