Steeds zekerder dat Yucatán-meteoriet dino’s doodde

Geologie Een boorkern uit de krater bij het Mexicaanse schiereiland Yucatán biedt nieuw bewijs dat een inslag de dino’s de das omdeed.

Bijna 66 miljoen jaar geleden werd de aarde getroffen door een meteoriet.
Bijna 66 miljoen jaar geleden werd de aarde getroffen door een meteoriet. Illustratie Hollandse Hoogte

De Chicxulub-krater: voor iedere dino-fan is de naam een begrip. Die reusachtige krater bij het Mexicaanse schiereiland Yucatán, met een diameter van zo’n 180 kilometer, zou immers gevormd zijn door dezelfde meteoriet die bijna 66 miljoen jaar geleden ook de dinosauriërs deed uitsterven. In Science Advances beschrijft een internationaal team van geologen deze week een boorkern die genomen is in de binnenste heuvelring van Chicxulub. De vondst biedt een inkijkje in de eerste jaren ná de inslag, en in de boorkern is een kleilaag aanwezig met het element iridium – een extra aanwijzing dat juist dít de ‘plaats delict’ was.

Een dunner kleiig bodemlaagje met iridium, teruggevonden over de hele aardbol, wekte begin jaren zeventig bij drie geologen het vermoeden dat het een meteorietinslag was die de dino’s de das omdeed. Onder die laag waren nog wel dinosaurusfossielen te vinden, maar daarboven niet meer: een bewijs voor een plotselinge catastrofe. Iridium is in de aardkorst uiterst zeldzaam, en zo’n verrijkte laag kon volgens de drie geologen – de Amerikanen Walter en Luis Alvarez, en de Nederlander Jan Smit – alleen ontstaan door de inslag van een kilometersgrote iridiumrijke meteoriet, waarna wereldwijd iridiumstof zou neerdwarrelen. Chicxulub werd later aangewezen als de vermoedelijke krater.

Vissen op het droge

De laatste jaren druppelt steeds nieuw bewijs voor die theorie binnen. In 2019 was het voorpaginanieuws dat paleontologen fossielen hadden gevonden van direct na de inslag: vissen op het droge, met in hun kieuwen glasbolletjes die waren ontstaan bij een meteorietinslag. En nu is er de gedetailleerde beschrijving van de ruim 800 meter lange boorkern uit het onderzeese deel van de Chicxulub-krater. Een laagje iridium was in de krater tot nu toe nog niet gevonden. Daardoor meenden sommige geologen dat Chicxulub niet gekoppeld kon worden aan het uitsterven van de dino’s.

De huidige vondst maakt die argwaan ongegrond. „Na bijna 50 jaar onderzoek keert de iridiumlaag terug naar de krater”, aldus Jan Smit per e-mail. In de boorkern zijn verschillende fasen van de meteorietinslag waar te nemen. Onderin bevindt zich deels gesmolten ‘impact-gesteente’ van het moment suprême. Daarboven is een 100 meter dikke laag puin: meegesleurd door het oceaanwater dat de krater instroomde en de tsunami’s die in de uren tot dagen na de inslag volgden. En daar weer boven ligt de kleilaag met iridium erin. Dat fijne iridiumstoflaagje ontstond niet direct na de inslag. Het kwam eerst in de atmosfeer terecht, en kon er tot wel twintig jaar over doen om uiteindelijk op het aardoppervlak te belanden.

„Vanuit geologisch oogpunt is dat héél snel. Het is fantastisch dat we nu de timing van deze processen zo nauwkeurig in kaart hebben kunnen brengen, van iets dat zó lang geleden is gebeurd”, zegt Pim Kaskes, die aan de Vrije Universiteit Brussel onderzoek doet naar de boorkern.

Het leven kwam relatief snel na de inslag terug. Direct boven de iridiumlaag zijn in de boorkern microfossielen aanwezig eencellig plankton. De dino’s waren weg, maar het onderwaterleven tierde welig.