De afvalraper is de held van onze tijd

Essay De afvalraper, schrijft , is een deugmens. En dan niet zo’n irritante, want hij lult niet maar poetst. Maar is rapen niet dweilen met de kraan open?

Illustratie Lizan Vermeulen

Het is een zonnige maandagochtend aan de oever van de Nieuwe Maas. Schepen varen af en aan, een hond plast tegen een boom, korstmossen groeien onverstoorbaar. Ik loop langs de oever met een afvalknijper, zoekend naar andermans troep. Ik speur naar bierblikjes, snoepwikkels, mondkapjes en pamfletten, ik grijp naar boterhamzakjes, chipszakjes, voetbalplaatjes. Ik heb mijzelf vandaag een taakstraf cadeau gedaan: ik zal de schepping eens verlossen van al het vuil en alle narigheid.

Maar dat valt niet mee. Al was het maar omdat de Parkkade zo op het oog blinkend schoon is. Ik betrap mijzelf op teleurstelling. Gisteren was het een snikhete februaridag, iedereen zat buiten te consumeren. Waar is al die zooi toch gebleven? Weggewaaid? Kabouters? Waar is het kwaad in de wereld als je het nodig hebt?

Oh wacht: daar glinstert iets onder een struik. Mijn hart springt op, ik ben de goudzoeker die zijn eerste klompje ontwaart. Voorzichtig benader ik het object, behendig stuur ik mijn grijper de struiken in. Hap doet de tang. Beet. Hup in de zak.

Oh, wat is dit tastbaar, bevredigend werk. Geen taakstraf maar een godsgeschenk. Zoveel fijner dan toetsenbordridder zijn. Ik foeterde de laatste tijd te veel. Wie foetert krijgt lelijke rimpels, wordt even lelijk als het kwaad. Trouwens, wat is kwaad, wat is goed? Weet ik veel. De wereld is niet simpel, maar dit colablikje wegplukken is goed.

Afvalrapen is omtoveren. Wie afvalraapt, ziet geen afval meer – die ziet paaseieren. Chagrijn wordt blijdschap. Ergernis wordt eergevoel. En je werkt in een confettiregen van glimlachjes en opgestoken duimen. Je gaat gloeien, ik merkte het vanochtend al, op weg naar de visgronden: alleen al de grijpstok wekt goedkeurende blikken.

Mijn grijpstok is een karmapuntenraper.

De afvalraper mag dan een deugmens zijn, maar eentje die we tolereren, omdat hij zo overduidelijk niet lult, maar poetst. Daar houdt men van, zeker in deze werkstad. Zolang men daden hier deugdzamer acht dan woorden, zit ik gebakken. Kijk me gaan. Hoppa, daar gaat weer een petflesje mijn zak in.

Wat leuk! Dit hele essay lang, lieve lezer, heb ik moreel gezag. Alles wat ik schrijf heeft dubbele woordwaarde. U kunt tegensputteren wat u wilt, maar intussen heb ik alweer een blikje Red Bull opgeraapt. Getver, het smerige drankje sijpelt er nog uit. Ja, ik maak vieze handen, ik dóé tenminste iets. U leest op dit moment de krant. Met alle respect.

De afvalraper is de tegenpool van de relschopper: hij sloopt de stad niet, maar maakt die mooier. U kunt dus niet anders dan van mij houden. U kunt uw opkrullende glimlach niet stoppen.

Ja, de afvalraper is de held van onze tijd, in de hiërarchie der heiligen evenaart hij al bijna de zorghelden of de mensen die zwemmen, fietsen of keihard rennen tegen kanker.

Een feelgood-volkssport, nu veel andere sporten niet mogen. Een zinvolle Pokémon-speurtocht voor het hele gezin

Is het daarom dat ik afvalraper wilde worden? Om glimlachjes te innen? Zwerfvuil opruimen is de nieuwste ‘lockdownhype’, berichtte de lokale nieuwszender een poosje geleden. Gek, als je erover nadenkt. Waarom zouden volwassen mensen vuilnisman willen worden? Hadden we daar geen specialisten voor in oranje overalls?

Er was maar één manier om er achter te komen. Toen ik zelf in een loods een gratis zwerfvuilpakket ging ophalen, zuchtte de medewerker. Er was een run op de gratis af te halen ‘participatiemiddelen’. Hij was al bijna door de voorraad afvalknijpers heen, ik kreeg de laatste.

Overstelpend groot is de vraag naar het goede.

Maar laten we de zwerfvuilrapers niet over één kam scheren. Je hebt de stille rapers, zonder hesje of knijpstok. Ze bukken tijdens het wandelen of hardlopen af en toe, als niemand kijkt. Dat zijn de madeliefjesplukkers. Je hebt ook de ostentatieve, passief-agressieve rapers, die eropuit trekken met felle hesjes en YouTube-kanalen, de hele wereld zal weten hoeveel goed ze doen en hoeveel kwaad er nog is (een beetje zoals ik nu zelf mijn goede daden uitschrijf). De meest ostentatieve vuilnisopruimer is Boyan Slat, de plasticraper des vaderlands, die op primetime-televisie beloofde hoogstpersoonlijk alle wereldzeeën te verlossen van onze plastic zonden.

Maar als beginnend raper vermoed ik dat de meeste zwerfvuilrapers misschien domweg spelplezier zoeken. Ze scharrelen wat rond, zoeken een onschuldige bevrediging van de oerbehoefte aan jagen en verzamelen. Een feelgood-volkssport, nu veel andere sporten niet mogen. Een zinvolle Pokémon-speurtocht voor het hele gezin.

Inmiddels zie ik een lezer aarzelend een vinger opsteken. Een vraag? Dat kan, dat mag natuurlijk. Hoewel ik het eigenlijk te druk heb met goed doen. En ik heb al helemáál geen behoefte aan een cynische vraag, zoals of het wel zin heeft om plastic te rapen, zolang de verpakkingsindustrie blijft bestaan. Is het geen dweilen met de kraan open?

Momentje hoor, eerst even dit mondkapje oprapen. Zo. Hup.

Bon. Wat wilde u weten? Oh ja, dweilen. U heeft gelijk, wat ik doe is futiel. Vertel mij wat. Kijk de schepen gaan, vol tin en kobalt, mango’s, blikjes, mondkapjes, consumentenelektronica, kortom, volgestouwd met afval in de maak.

Die schepen representeren het systeem. De wereldhandel. De industrie. Unilever, PepsiCo, Shell, you name it. Er valt niet tegen op te rapen. Wat ik doe is kruimelwerk, ik ben Don Quichot op de bierkaai. En trouwens, ik bestel zelf elke week kratten vol verpakkingstroep bij de supermarkt.

Ik zal u nog wat sterkers vertellen: je zou kunnen stellen dat afvalrapers het systeem vooral in stand helpen houden.

Voor elke aardbewoner is er nu ongeveer duizend kilo plastic in omloop. En de hoeveelheid plastic blijft groeien

Dan moet ik eerst wat vertellen over de geschiedenis van afval. Vroeger, nog niet zo lang geleden, hadden we geen afval. Of nu ja, bijna niet. Zeker geen kliko per week. Plastic was er niet, weggooispullen ook niet. We wisten niet wat ‘circulair’ was, we gebruikten alles gewoon opnieuw. Bij de groenteboer kreeg je de aardappelen mee in een krant. De aardappelen at je op. De schillen gingen naar de schillenboer. Met de krant stak je later de potkachel aan. Wat overbleef was een handjevol stof en as.

Afval is recent uitgevonden. In de jaren vijftig begon plastic aan z’n opmars. Toen kwamen er weggooispullen en weggooiverpakkingen. Die zorgden al gauw voor enorme vervuiling. Weggooiplastic kreeg een slechte naam. Toen begon de plastic- en verpakkingsindustrie een lobby, om duidelijk te maken dat die verpakkingen zelf niet het probleem waren, maar ons gedrag. People start pollution, people can stop it, was in 1971 de reclameslogan van de organisatie Keep America Beautiful, een lobbyclub van de plasticindustrie. Zolang we de troep in de prullenbak zouden gooien, was er niks aan het handje.

Lees ook: Langs Nederlandse oevers ligt meer plastic afval dan in het meest vervuilde stuk oceaan

„Precies dit frame maakte de weg vrij voor de ongelimiteerde plasticproductie van nu”, zegt Rob Buurman, directeur van Recycling Netwerk Benelux, in een interessant artikel op de Correspondent („Briljant bedacht: hoe de plasticindustrie het idee verkoopt dat de burger z’n ‘eigen’ plastic op moet ruimen”). Het is zo’n complotverhaal dat klopt. Bij ons in Nederland kreeg je de verwante slogan, las ik in het stuk: ‘Een beter milieu begint bij jezelf.’ En de verpakkingsindustrie richtte de club Nederland Schoon op. Deze club stimuleert nog steeds opruimacties, deelt gratis hesjes en grijpers uit aan vrijwilligers.

Voor elke aardbewoner is er nu ongeveer duizend kilo plastic in omloop. En de hoeveelheid plastic blijft groeien.

Ha! De plasticindustrie wil dat wij dweilen, opdat de kraan gewoon open kan blijven staan.

Maakt dat van mij nu een nuttige idioot? Camoufleer ik de uitwassen van het systeem? Zou ik beter juist mijn vuilniszak moeten leegkieperen op de kade, zodat iedereen goed ziet wat we de wereld aandoen? Slimme vragen, er valt wat voor te zeggen. Misschien is de relschopper die een winkelstraat sloopt wel juist de held van de tijd, omdat hij de façade doorbreek (en letterlijk de ruiten van de consumptiemaatschappij ingooit).

Mensen zijn geen willoze radertjes. De wereld is geen schakelbord, wij zijn niet passief

Ik kom er zo op terug. Eerst deze chipszak even meepikken. Hopla. Kijk, uiteraard ben ik een symptoombestrijder. Ik haal vandaag bewijsmateriaal uit zicht, zoals een puber sporen wist als de ouders een weekendje zijn weggeweest.

Maar, misschien hoeven we niet te kiezen. Kun je zowel dweilen als de kraan dichtdraaien.

Zondag was ik in Nijmegen, we wandelden over de Waalkade. Ik zag een stel vrijwilligers van de Partij voor de Dieren campagne voeren. Of nu ja, campagne voeren, ze spraken niemand aan, strooiden niet met flyers. Ze liepen tussen het zonaanbiddende publiek, op de heetste februaridag ooit gemeten, en ze raapten flesjes en etensresten op.

Een krachtig beeld.

En er is nog iets. Het klinkt altijd diepzinnig als je zegt dat de wereld een complex systeem is. Maar mensen zijn geen willoze radertjes. De wereld is geen schakelbord, wij zijn niet passief.

‘Het systéém moet anders’, zegt men. Zeker, maar wie maakt vandaag de straat schoon?

Wie de wereld wil veranderen, heeft drie dingen nodig: verontwaardiging, een brede blik en het gevoel dat je iets kunt betekenen. Precies die drie ingrediënten krijg je als zwerfvuilraper cadeau.

Ten eerste stijgt je verontwaardiging door alle smerigheid die je ziet. Maar je gaat al wandelend vanzelf ook verbanden zien. Eerst tussen de troep op straat en die in je eigen koelkast (zoveel verpakkingen die je herkent van thuis). Maar vanzelf ook het verband tussen het bizar warme weer en ons ongebreidelde consumeren, wegsmijten, uitstoten. En op den duur zelfs de relatie tussen de zooi op straat en de pandemie die woedt, tussen gedachteloos vlees eten en zoönose, tussen suikerverslaving en extreem hoge sterftecijfers.

Tussen de schepen die voorbij varen en de kruimels die je opraapt.

Ik zeg niet dat de wereld deze maandagochtend veranderd is, maar ik kijk wel anders naar de wereld.

Eén jaar corona heeft misschien wel voor de grootste blikvernauwing uit de geschiedenis van de mensheid gezorgd. We bestrijden symptomen. Terwijl hoofdoorzaken – de uit de klauwen gelopen consumptiecultuur, de menselijke vraatzucht – nauwelijks worden aangepakt.

De pandemie is geen straf van God, maar het is ook geen toeval dat juist Europa en de VS het zwaarst getroffen zijn en bijvoorbeeld Afrika relatief de dans ontsprong. Eén van de verklaringen is het flesje suikerdrank dat ik nu opvis met mijn grijpstok en dat iemand hier dikker en kwetsbaarder heeft gemaakt.

Blikjes rapen is een antidotum tegen cynisme, een vaccin tegen frustratie

Dat is het fijne van rapen: je kunt iets doen. De pandemie heeft miljoenen gefrustreerd en machteloos gemaakt. We lopen steeds achter de feiten, grafiekjes en dagkoersen aan. Ik denk dat daarom tegenwoordig zoveel mensen op pad gaan met zo’n afvalgrijper. Blikjes rapen is een antidotum tegen cynisme, een vaccin tegen frustratie. De wereld is ingewikkeld, verkiezingsborden zijn hallucinant (32 partijen, waar slaat het op!), maar de afvalgrijper geeft letterlijk grip.

Je grijpt het blikje bij de kladden, je hebt beet, je kunt genoeg doen.

Hoewel, hier is de kade juist schoon. Pas als ik bij de historische Veerhaven aankom, snap ik waarom. Er staat een kleine vrachtwagen vol zakken vuil. De professionals zijn me voor geweest. Een vrouw in oranje overall gooit net de laatste vuilniszak op de wagen. Bijna likkebaardend kijk ik naar de gouden berg vol karmapunten. Ze is al om half zeven begonnen, vertelt ze. Zelden lag er zoveel viezigheid. Ze moest zelfs met haar handen rapen. Maar, zegt ze, ze doet het ook met haar hart.

Ik complimenteer haar met de properheid van de kade.