Opinie

Sociaal contract

Ellen Deckwitz

Dus dit weekend was de zus weer eens helemaal fluitketel. „Weet je wat ik net ontdekte”, brieste ze, en gooide een exemplaar van Een nieuw sociaal contract van Pieter Omtzigt voor mijn neus neer. „Hè, die komt toch pas dinsdag uit”, zei ik, waarop ze meedeelde dat ze hem had meegenomen van mijn voorpublicatiestapel.

„Maar luister nou”, vervolgde ze, „hij schrijft dat in Nederland bijna alle denktanks zijn wegbezuinigd! Zelfs de Belastingdienst heeft geen adviesraad!”

Dat klonk bizar, al verklaarde het veel.

„En daartegenover staat dat de overheid dus wél zevenhonderd voorlichters heeft die leuke verhaaltjes aan journalisten moeten vertellen. Dat is toch krankjorum? Je hebt amper expertise, maar schakelt wel een heel leger aan sprooksprekers in om beleid, dat dus nergens op stoelt, te verkopen, in de hoop op een toffe krantenkop.”

„Nou, er zal toch wel een beetje over zijn nagedacht, want”, begon ik, maar maakte de zin niet af, want er was geen want. Bij de overheid blijkt denkwerk de laatste tijd niet echt de sterkste kant. Blunders bij toeslagen, twee avondklokken en dan ook nog het gestuntel op partijniveau, zoals dat niemand binnen het CDA afgelopen week op het idee kwam om Hoekstra voortijdig van het ijs te sleuren.

De zus haalde uit mijn diepvries een bak ijsklontjes, stak een handvol in haar mond en begon te kauwen, wat ze altijd doet als ze extreem woedend is (vaak gevolgd door kauwen op paracetamol). Ik pakte Omtzigts boek erbij en las het de rest van de middag op een welwillend grasveld in de zon. Het bleek een pageturner, waarin hij een overheid schetst waar beleid hoofdzakelijk wordt gebaseerd op modellen, wat natuurlijk linke soep is, omdat een model een abstractie is, een kluwen aannames, waar de grillige werkelijkheid vaak haaks op staat. Een model kan echter wel een pseudo-wetenschappelijk sausje geven waardoor de suggestie van deskundigheid wordt gewekt. Het gaat om vorm, niet om inhoud, net als met die talloze voorlichters die beleid verkopen waar geen onafhankelijke experts voor zijn geraadpleegd.

De buurmeisjes speelden buiten ondertussen blindemannetje. Grappig, dacht ik, dat kinderen dat nog steeds doen. Met open armen graaide de tikker in het luchtledige, kraaiend van plezier.

„Jij bent af!”, juichte ze toen ze iemand beetkreeg. Ze kon niet raden wie de pineut was, alleen dat die persoon net op het verkeerde moment op de verkeerde plek was. Daarna ging ze verder, om de volgende te pakken te krijgen. Haar blinddoek was roze, met glitters. Hij ontnam haar het zicht volledig maar zag er wel heel erg goed uit.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.