De verwachte opbrengsten van de spektakelfilm zijn niet onaannemelijk

Economie en recht Deze rubriek belicht elke week kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Ditmaal: fiscaal recht, over participeren in een filmfonds.

Foto ANP

Een man investeert in 2014 10.000 euro in de productie van een Nederlandse spektakelfilm via een filmfonds. De prospectus vermeldt dat de participatie aftrekbaar is, en voor het rendement zijn er meerdere scenario’s – van flop tot ‘very high’ – afhankelijk van het succes van de film in de bioscoop en opbrengsten uit dvd, video on demand en omzet in het buitenland. Bij zijn aangifte inkomstenbelasting over dat jaar voert hij de participatie op bij ‘winst uit onderneming’. De fiscus plaatst de participatie echter bij ‘werk en inkomen’. Een gang naar de rechter volgt.

Het hof Arnhem-Leeuwarden bekijkt of sprake was van objectieve voordeelsverwachting bij de investering en geeft de investeerder gelijk. De fiscus wijst erop dat het rendement afhankelijk was van fiscale stimuleringsregelingen. Dat klopt wel, zegt het hof, maar ook zonder die fiscale regelingen was „redelijkerwijs” voordeel te verwachten. Op basis van de rendementsscenario’s uit de prospectus konden participanten een scenario vanaf ‘medium high’ verwachten en dus voordeel. Dat was ook niet onrealistisch met zo’n spektakelfilm voor een groot publiek, en een internationaal ervaren regisseur. De film leverde bovendien 6 miljoen euro op. Maar door externe factoren – faillissement distributeur, conflict met Amerikaanse distributeur, tegenvallende dvd-verkoop – zijn de geprognotiseerde resultaten niet behaald. En ook al gaat het in de prospectus om „veronderstellingen”, de geschetste rendementsscenario’s acht het hof niet onaannemelijk.