Comfort in de polder

De Hollandse brug is voor velen een brug te ver. Maar niet voor Almeerders. Schrijfster Niña Weijers voegde zich bij hen en doet de komende tijd verslag.

In de nazomer van 2020 verhuisde ik naar Almere. Drie dozen boeken nam ik mee, kleren voor tweeënhalf seizoen, vier kamerplanten en mijn hondje. Ik schreef me in bij de gemeente, kocht voor het eerst in mijn leven een auto en betrok een volledig ingericht appartement op de elfde verdieping van een flat.

Mijn dromen waren altijd nogal kosmopolitisch van aard geweest — New York, Berlijn, Tokio, ik zag mezelf er al lopen als een local — maar het onverwachte kan dus ook de vorm aannemen van een stad in de polder. Het wordt interessant zei ik tegen mijn vrienden. Maanden later voel ik nog altijd schroom wanneer ik mijn adres aan iemand doorgeef. Ik moet de neiging onderdrukken om erbij te zeggen: deze toestand is tijdelijk, dit is niet wie ik werkelijk ben.

Er is geen stad in Nederland die zoveel associaties oproept met de dood als Almere; de polder een ballingsoord voor iedereen die niet meer terechtkan in de Randstad of het Gooi. Als je er niets te zoeken hebt kom je er niet, en wie er niet komt ziet een wazige vlek op de kaart van Nederland, volgeplempt met eenvormige rijtjeshuizen uit de jaren tachtig.

Almeerders weten als geen ander hoe ze door vreemde ogen worden bekeken. Excuses en zelfverdediging wisselen elkaar af. Ze hadden het zelf nooit gedacht, dertien, tien, drie jaar geleden: dat ze híer terecht zouden komen. De Hollandse brug, die sinds 1969 het vasteland verbindt met de polder, was er eentje te ver. Tot ze hem op een dag toch maar overstaken.

Inmiddels willen de meesten van hen hier nooit meer weg. Er is ruimte, huizen hebben garages, berghokken en achtertuinen. Parken zijn op loopafstand, waar in Almere je ook woont, net als het water. De fietspaden liggen los van de autostraten, bussen glijden efficiënt over aparte busba-nen, de stad telt maar liefst zes treinstations.

Comfort kan een nederlaag zijn, een vorm van zelfverloochening: je leven in ruil voor een paar vierkante meter eigen tuin. Maar nu ik hier ben, nu ik mijn hond uitlaat in de parken van Almere, nu de vaatwasser loopt en de wasdroger mijn lakens droog schudt, nu ik mijn auto voor de deur parkeer en mijn vuilnis met een handig pasje laat opzuigen door het ondergronds afvaltransportsysteem, moet ik overwegen of comfort niet ook een vorm van zelfrespect is.

De buurvrouw van een paar verdiepingen lager vraagt of ik hier niet langer wil blijven wonen, of gewoon voor altijd. Ze wijst naar mijn buik. Dat daar, zegt ze, gaat je anders doen kijken. Ik knik en denk: wie weet. In principe moet je altijd alle mogelijkheden open houden.