Smoesjes van verdachten over schotresten gaan niet langer op

Schotresten Uit nieuw onderzoek blijkt dat de metaaldeeltjes die vrijkomen bij het gebruiken van een vuurwapen uniek zijn.
Het excuus 'ik ben een automonteur' gaat volgens het nieuwe onderzoek niet meer op.
Het excuus 'ik ben een automonteur' gaat volgens het nieuwe onderzoek niet meer op. Foto Caspar Benson/Getty Images

Mensen die ervan worden verdacht een vuurwapen te hebben gebruikt, kunnen geen smoesjes meer verzinnen voor de zogenoemde schotresten als die zijn aangetroffen op hun lichaam of kleding. Deze resten, bestaande uit kleine metaaldeeltjes die vrijkomen bij het afvuren van een wapen, kunnen niet ergens anders vandaan komen. Dat blijkt uit een afgelopen week gepubliceerd internationaal forensisch onderzoek, meldt het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) maandag.

Het is denkelijk dat verdachten van geweldsmisdrijven een smoes proberen te bedenken om aangetroffen schotresten te verklaren. Zo zouden zij mogelijk stellen dat ze werken aan auto’s en dat aangetroffen metaaldeeltjes van remblokken en airbags komen. Uit het onderzoek blijkt echter dat schotresten een andere samenstelling hebben en van nature niet voorkomen in de leef- en werkomgeving van mensen. „Het excuus ‘Ik ben automonteur’ gaat niet meer op”, aldus het NFI.

Volgens het NFI stellen verdachten soms ook dat de schotresten van agenten afkomstig zijn en dat ze bij de arrestatie op hen zijn terechtgekomen. In Nederland kan dit excuus niet snel gelden, aangezien de politie hier munitie gebruikt waaraan een speciale marker is toegevoegd waarmee hun schotresten te zijn onderscheiden van die van andere wapens. In sommige andere landen wordt deze marker nog niet gebruikt. De onderzoekers van de internationale werkgroep waaraan het NFI deelnam, benadrukken dat dit wel een goed idee zou zijn.

Niet eerder vond zulk grootschalig wetenschappelijk onderzoek naar schotresten plaats, aldus het NFI. Het instituut stelt dat er internationaal behoefte was om meer duidelijkheid over de resten te krijgen, zodat forensische rapporten beter kunnen worden onderbouwd. De resultaten zouden dan ook „belangrijk voor de bewijsvoering” in strafzaken zijn. Aan het onderzoek deden 32 forensische instituten mee uit Europa, Singapore, Rusland en de Verenigde Staten.