Genetica bevestigt verspreiding van Tibetochinees

Paleogenetica Het Tibetochinees ontstond in Noord-China en verspreidde zich dankzij gierstboeren, zo blijkt uit oude Aziatische genomen.

Rituele opstelling van stenen in Mongolië, uit de tweede eeuw voor Christus. Rond 1400 voor Christus vond hier genetische bijmenging plaats vanaf de West-Euraziatische steppe.
Rituele opstelling van stenen in Mongolië, uit de tweede eeuw voor Christus. Rond 1400 voor Christus vond hier genetische bijmenging plaats vanaf de West-Euraziatische steppe.

De Sinotibetaanse talen, de grootste taalgroep van Azië waartoe het Chinees behoort en ook vijfhonderd andere, vaak kleine talen, is inderdaad in Noord-China ontstaan en rond 5000 à 4000 v.Chr. over Oost-Azië verspreid door gierstboeren. Dit blijkt uit een grootscheeps genetisch onderzoek naar de herkomst en samenstelling van Aziatische volkeren op basis van 1.209 paleogenomen van tussen 6000 v. Chr en 1000 n. Chr. en 3.648 huidige genomen. De Noord-Zuid-verspreiding van de genetische signatuur van de prehistorische boeren blijkt overeen te komen met culturele Noord-Zuid-verspreiding van de Sinotibetaanse taalgroep die in 2019 al beschreven werd op basis van taalkundige kenmerken.

De genetische analyse van Aziatische bevolkingsgroepen is gedaan door een groot team waarbij ook de bekende paleogeneticus David Reich (Harvard) betrokken is. De studie is maandag gepubliceerd door Nature. De genetische verwantschap wordt vastgesteld door de vergelijking van complexe patronen in kleine mutaties op ruim een miljoen plekken in het menselijke genoom (SNP’s).

Mongoolse veehouders

De onderzoekers hebben ook gekeken naar oudere gegevens. De huidige bevolking van Azië blijkt af te stammen van twee oude migraties tijdens de IJstijd: één via het noorden (die terug te vinden is in een 40.000 jaar oud genoom uit de Noord-Chinese Tianyuan-grot) en een zuidelijke (die nog altijd in zuivere vorm is terug te vinden op de geïsoleerde Indiase Andaman-eilanden in de Golf van Bengalen). Het onderzoek van Reich e.a. brengt in beeld hoe in de recente millennia die twee stromingen op allerlei manieren zijn vermengd, met een beetje latere invloed uit het westen.

De Tianyuan-stroming is nog sterk terug te vinden in vroege Mongoolse veehouders (ca. 5000 v. Chr) en voor een groot deel bij vroege landbouwers aan de bovenloop van de Gele Rivier (ca. 2000 v. Chr.) Een vroege zuidelijke aftakking van deze groep bepaalde een groot deel van de genomen uit Zuidoost-China, ten zuiden van de Yangtse, rond 5000 v.Chr.

De Han-Chinezen, de huidige dominante etnische bevolking van China, zijn ontstaan uit een menging van boeren uit het Gele-riviergebied met de Tibetaanse bevolking. In de noordelijke Han-Chinezen is nog wel een kleine bijmenging met een West-Euraziatische gensignatuur terug te vinden, die waarschijnlijk relatief recent ontstond, ten tijde van de middeleeuwse Tang- en Song-dynastieën (ca 650-1250 n. Chr.) die sterk uitbreidden naar het westen.

Blijvend stempel

De genetici konden ook de oostwaartse invloed vaststellen van de bekende Yamnaya-expansie vanuit het huidige Oekraïne, de vermoedelijke sprekers van het proto-Indoeuropees. Hun westwaartse expansie in de periode van 3000 tot 2000 v. Chr. bepaalde ongeveer de helft van de Europese genetische signatuur.

Helemaal aan de andere, oostelijke grens van de Euraziatische steppe, in Mongolië, blijkt er nu in de Mongools/Siberische Afanasievo-cultuur al rond 3100 v. Chr. een duidelijke genetische Yamnaya-signatuur aanwezig, maar die verspreidde zich niet verder. Maar rond 1400 v. Chr. verschijnt er opnieuw een groep met een Yamnaya-signatuur in het gebied, maar dan al met duidelijke vermenging met Europese neolithische boeren (de Shintasha-cultuur), die wel vooral in West-Mongolië een blijvend stempel op de genetica drukken.