De ‘slordige orde’ van György Ligeti

Het Meesterwerk #27 Theaters, musea en concertzalen zijn weer dicht. Waarvan kun je, ook nu, nog wel genieten? NRC-recensenten gidsen je langs hun eigen favorieten: tijdloos en coronaproof. Aflevering 27: Het Kammerkonzert van György Ligeti.

György Ligeti circa 1975.
György Ligeti circa 1975. Foto Erich Auerbach/ Getty Images

We tikken in op Youtube: ‘Ligeti, Kammerkonzert, Schönberg Ensemble.’ Een video met partituur. Lees-luistert u even mee met de openingsmaten, waarin fluit, klarinet, basklarinet en cello hun lijnen klagend in elkaar vlechten. Kruip-door-sluip-door van vijf halve tonen.

Geleidelijk verandert de muziek van kleur. Blazers wijken voor strijkers. Een klavecinist strooit een handje stuifzand in een krioelende clustertextuur. Een hoornist met lange adem trekt zijn eigen plan. Nog een halve toon hoger. Zonnestraal door dicht wolkendek.

Dan, net als Ligeti zijn pietepeuterige klankweefsels uiteen heeft gerafeld tot een enkele viooltriller, voltrekt zich een radicale change of scenery. Een ‘es’ over vijf gapende octaven: alsof de afgrond zich onder je voeten opent.

Ik hoorde Ligeti’s Kammerkonzert voor het eerst op het conservatorium van Antwerpen, in het analyseklasje van Wim Henderickx. De naoorlogse avant-garde zou nooit meer hetzelfde klinken. Natuurlijk had ik eerder van Ligeti, Stockhausen, Xenakis en Boulez gehoord, maar verder dan een eerbiedig soort nieuwsgierigheid ging het niet. Pas hier, in de openingsminuten van het Kammerkonzert, ervoer ik aan den lijve dat hedendaags repertoire je even onverbiddelijk bij de lurven kan grijpen als een Beethoven- of Mahler-symfonie. Ligeti leerde me de ‘juiste oren’ op te zetten, zoals dat heet.

Anti-concert

De Hongaarse componist schreef zijn Kammerkonzert tussen 1969 en 1970. De titel verwijst ondubbelzinnig naar Alban Berg die in 1925 ook een kamerconcert schreef voor een solistische ensemblebezetting. En toch, waar Berg nog daadwerkelijk ‘concerteert’, daar componeerde Ligeti een anti-concert. Hier geen dialoog tussen instrumenten, geen vraag-en-antwoordspelletjes met thema’s en motieven, maar een obsessief vlechten, opstapelen en verstrengelen.

Het werk is daarmee duidelijk verwant aan vroegere Ligeti-stukken als Atmosphères (1961) en Lontano (1967). Monsterpartituren zijn het, waarin de componist de afzonderlijke orkeststemmen doelbewust laat oplossen in traag wentelende klankwolken. Hij muntte er de term ‘micropolyfonie’ voor, naar de canon-principes die hij toepaste. Denk aan het meerstemmige ‘Vader Jacob’ van de basisschool, maar dan in het twintig-, dertigvoudige.

Tegelijkertijd belichaamt het Kammerkonzert een scharnierpunt naar Ligeti’s latere oeuvre. Naar stukken als Melodien (1971) en Clocks and Clouds (1973), waarin hij traditionele elementen als ritme, harmonie en melodie herontdekte. Vroege voorbode: hoe zich in het vierde deel van het kamerconcert een hoorn en een piccolo loszingen uit een akoestische wervelstorm (circa 17:00 in de video). Of neem het tweede deel, Calmo sostenuto. Hobo, hoorn en trombone spelen er voor arceerstift en markeren lange lijnen in een wemelende notenmassa (vanaf 7:05).

Typische Ligeti-paradox: de voortdurende spagaat tussen glashelder ontwerp en organisch verloop, tussen lucide concept en de grillen van het oor. „Ik zoek een zekere orde”, zei de componist eens tegen de Franse musicoloog Pierre Michel, „maar een slordige orde”. Was getekend een constructivist met systeemvrees, meester van de haperende precisie en de feilloos geregisseerde ontregeling.

Case in point is het derde deel van het Kammerkonzert, een muzikaal uurwerk dat luistert naar de speelaanwijzing ‘Movimento preciso e meccanico’. Lang duurt het niet voordat Ligeti de muziek laat ontaarden in een razende tiktakpolyfonie van verschillende tempi. Het geheel heeft nog het meest weg van een oververhit speeldoosje. Je hoort de veertjes en tandwieltjes als het ware cartoonesk naar buiten puilen.