Opinie

De winter die zeven dagen duurde

Tommy Wieringa

Zeven dagen winter. Zeven dagen waren onze zorgen en tegenstellingen ondergesneeuwd. Nieuws? Twintig centimeter sneeuw voor de deur en een vaart die dichtvroor, dat was het nieuws. Begin januari doken ze voor het eerst op in de krant, de woorden poolwervel en straalstroom. Dat het misschien nog even winter kon worden, betekenden ze. Een maand later was het zover: sneeuw. Zaterdag 6 februari is de dag. Eerst zou het vroeg in de avond zijn, het liet op zich wachten. Appverkeer met andere delen van het land: bij jullie al begonnen? Nee, hier nog niks. Tegen elven de eerste vlokken, we gingen naar bed als een kind dat morgen jarig is.

’s Nachts pissen en de sneeuwwervelingen zien, en een ander soort licht dat door de ramen viel, reflectie van het nachtlicht op de witte velden.

De volgende morgen een slee gevonden op de vliering, en schaatsen met de kartonnen bewijsjes van het slijpen jaren terug er nog aan. Volk dat de winter verleerd was. Een vergeten eigenschap wakker gekust uit haar winterslaap, een inactief gen dat wordt geactiveerd. Negen jaar geleden waren de kinderen voor het eerst en voor het laatst op het ijs. Er zijn foto’s van, in sneeuwpakjes op de slee. Almaar warmer zijn de winters sindsdien geworden, in een tempo van 0,4 graden per tien jaar. Vivaldi voorzag elk van de vier seizoenen van een eigen dynamiek en klankkleur, in een ritme van opkomst, bloei en ondergang; driehonderd jaar later ziet het ernaar uit dat er maar twee of drie van zullen overblijven in de Noordwest-Europese klimaatzone: L’Estate en Autumno, gevolgd door een steeds vroeger voorjaar. L’Inverno, de winter, is verdwenen. De korte overgangen tussen de overgebleven seizoenen zullen misschien lente- of winterachtig aandoen, om ons eraan te herinneren wat we zijn verloren.

Deze winterweek markeert zo’n korte overgang. Op 14 december, lees ik in mijn aantekeningen, is het nog idioot warm: ‘Drie fazantenhanen en een hen in het weiland. Soms stuiven de hanen tegen elkaar op; hun klieren worden geacht nog in rust te zijn maar het is 11.5 graden, verontrustend veel voor de tijd van het jaar’.

De sneeuwstorm loeit rond het huis. Dat je ooit zo gelukkig zou worden van sneeuwbanken voor de deur. De sloten vriezen vuilgeel op, alsof ze zijn volgepist. Covid en winter, lockdown en sneeuwstorm – bewegingloosheid op bewegingloosheid, stilte op stilte. Bevrijd van onszelf, van onze materiële verlangens en ambities leggen we de schaatsen klaar en schorten onze bezigheden op.

We maken foto’s en filmpjes, een metastase van pixels. Bewijsmateriaal. Misschien pas over tien, twintig jaar weer dit; klimaatmodellen schatten tegen 2050 de kans op een Elfstedentocht nog maar op één procent.

‘Welcome’, zeg ik tegen twee Aziatische toeristen op het ijs. ‘Dag meneer’, zeggen ze terug. ‘Weet u of je hier kunt doorschaatsen naar Broek in Waterland?’

O Heer, laat me door het ijs zakken en verdwijnen.

De Loosdrechtse Plassen dan, donderdagmorgen. Volle zon en een ijsvloer om te zoenen. Het ijs zingt en kreunt onder onze buizen. De mensen zijn licht en vrolijk; langs de toegangswegen worden de eerste boa’s gesignaleerd.

Terug naar huis over de A2. De stad naderen en je door het pak sneeuw weer realiseren hoe strikt functioneel de openbare ruimte is geworden. De hedendaagse architectuur is wat Michel Houellebecq noemt een ‘enorm mechanisme waarmee menselijke verplaatsingen versneld en gestroomlijnd kunnen worden’. Moderne bouwwerken, schrijft hij, mogen geen schoonheid, geen poëzie bezitten: ‘Alleen doordat ze volledig vrij zijn van elke blijvende eigenheid kunnen ze plaats bieden aan de bruisende stroom van het vergankelijke’. Sneeuw betekent ook: dankbaar de sluier verwelkomen die deze gruwelijke misvorming voor even aan het zicht onttrekt.

Op zondag begint het te dooien. Onder de sneeuw komt de oude wereld tevoorschijn, in haar lelijkheid en chagrijn.

Zeven dagen duurde het geluk. Toen was het voorbij.

Tommy Wieringa schrijft elke week op deze plek een column.