Recensie

Recensie

Vogel met botergele bips

Boek De etymologische weetjes zijn leuk, maar soms is Toine Andernach wel érg jolig.

Aarsvoet. Die weinig flatterende naam had de fuut vroeger, omdat zijn poten zó ver naar achter staan dat ze uit zijn achterwerk lijken te groeien. Uit de verbastering van het woord ‘voet’ is vervolgens de naam fuut ontstaan. De dodaars, ook een futensoort, dankt zijn naam aan de donzige pluk rond zijn achterste – om die reden werd ook de dodo in het verleden wel ‘dodaars’ genoemd.

Het zijn enkele weetjes die aan bod komen in Baardman & boterkontje van Toine Andernach. In korte hoofdstukken gaat hij in op de herkomst van vogelnamen. Zo heette de sperwer vroeger sparwaro, wat vermoedelijk een samenstelling is van ‘sparwa’ (mus) en ‘aran’ (arend). En smient zou waarschijnlijk een afleiding zijn van smeant, dat ‘kleine eend’ betekent.

Hoe leuk de etymologische weetjes ook zijn, soms is de schrijfstijl van Andernach wel érg jolig – is het nu echt nodig om vogels als ‘onze gevleugelde vrienden’ aan te duiden? En af en toe zijn de anekdotes aan de banale kant, zoals in het hoofdstuk over de snor: „‘Snor!’, riep ik enthousiast toen hij zich in het riet van zijn beste kant liet zien. De hardloopster hield even in toen ze ons groepje tegemoetliep en ik haar verwachtingsvol aankeek. ‘Oh sorry’, zei ze verontschuldigend, terwijl ze met haar mouw het slijm van haar bovenlip afveegde en met een nog roder hoofd verder jogde.”

Los daarvan steek je een hoop op. In de inleiding geeft Andernach al aan om schatplichtig te zijn aan de overleden vogelaar Klaas Eigenhuis, die in 2004 het Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen publiceerde. Baardman & boterkontje laat zich wellicht nog het beste lezen als een laagdrempelige eerste kennismaking met dat lijvige naslagwerk.

Leuk is ook de vogelnamenkwis: in elk hoofdstuk is een bijpassende meerkeuzevraag opgenomen, bijvoorbeeld: ‘Welke vogelnaam komt niet voor in een Nederlandse uitdrukking?’

En het boterkontje uit de titel? Dat blijkt een bijnaam voor de wintertaling: die is te herkennen aan zijn ‘botergele achterkant’.