Op de pont over het IJ met Jan Cremer

Literaire plekken Guus Luijters schrijft op gezette tijden over de literaire plekken van Amsterdam.

Was Ik Jan Cremer 1 ‘een onverbiddelijke bestseller’, Ik Jan Cremer 2 beloofde ‘een meedogenloze bestseller’ te zijn, met ‘Sex, spanning & sensatie’. Het boek dat geschreven is ‘op Sphinx-papier & Underwood Touch-Master II (11-8270019)’ en onder meer is opgedragen aan ‘Allen Die Hebben Gehoopt, Gesmeekt & Gebeden Dat Dit Boek Nooit Zou Verschijnen’ en tussen meerdere motto’s ook het motto ‘Wie verre reizen doet kan veel verhalen’ van Opa Schram voert, begint in Parijs, waar Jan nog verblijft wegens deel 1. Maar na een paar paragrafen al belandt hij in Amsterdam, waar hij eerst met Beebee in Huize Hekseketel woont om vervolgens bij Claudia te belanden.

Nadat zij Jan tot stilte heeft gemaand omdat de baby slaapt, zet ze water op voor thee, waarop Jan noteert: ‘de manier waarop ze zich bewoog, deed mij denken, Cremer, ouwe, het wordt hoog tijd dat je ook eens gaat trouwen of met een wijf gaat samenwonen. Je moet een tehuis hebben. Ander mis je de boot.’

Dat klinkt serieus, en dat was het ook. Als Claudia en haar man een paar dagen later uit elkaar zijn, wil Jan ‘hard gaan werken voor haar en een nestje bouwen.’ Hij vindt werk bij de Dokmaatschappij in Noord en de volgende morgen gaat hij in alle vroegte bij zijn buurman achterop de brommer naar zijn werk: ‘Op de veerpont was het druk. Het rook er naar Sunlightzeep en zware sjek en toen de boot aanlegde, startte het oorverdovend lawaai van een honderdtal brommers en auto’s.’

Ik Jan Cremer 2 verscheen in 1966, maar op de pont ruik ik nog altijd Sunlichtzeep, zoals wij het noemden. Na drie weken heeft Jan er genoeg van en laat hij zich in een scheepsruim vallen. ‘Verdomd moeilijk om ongelukkig terecht te komen’, maar de vijfde keer lukt het en hij wordt naar huis gestuurd met ziekteverlof. Van sociale zaken naar de kunst is maar een stap en als Cremer weer aan het schilderen is geslagen is dat aanleiding tot amusante filippica tegen de kunstwereld en de kunstenaars die de kunstwereld bevolken. De leukste richt zich tegen ‘de Cirkel, verzamelplaats van het Kunstgespuis en Aanverwant Addergebroed’. Op de Cirkel die ‘lijkt op een stationslokaal van een middelgrote fabrieksstad in Oost-Duitsland’ is gelegenheid tot sjoelen en worden zakloopwedstrijden gehouden. ‘Met verbazing’, schrijft Cremer, ‘nam ik eens waar hoe het puikje van het Nederlandse Cultuurleven rondhuppelde in aardappelzakken.’ Tot het puikje rekent hij ‘de Ongebakken Deegsliert’, ‘de Verneukte Neus’, meestal in gezelschap van ‘de Verkeerd Uitgepakte Gehaktbal, winnaar van diverse damtoernooien’ en ‘het Vloamse Suikerzakje’ (bekend van zijn boeken en toneelstukken: Suiker van de Thames, De Suikerminnaar, Zwarte Suiker en Tijl Uilensuiker).

Amsterdam haalde opgelucht adem toen het Beest de stad achter zich liet en om de rest van het boek te vullen de wijde wereld weer introk.

Guus Luijters schrijft op gezette tijden over de literaire plekken van Amsterdam.

Lees ook Frits Abrahams: De liefde van Jan Cremer

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.