Opinie

Fietsen jatten tijdens de avondklok: hoe dom kan je zijn?

Column Amsterdam

Auke Kok

Rumoer in de straat. Een luide stem in het avonddonker. Schreeuwen zou ik het niet willen noemen, eerder een non-descript geluid dat iets alarmerends in zich draagt. Op een normaal tijdstip zou ik er geen aandacht aan hebben geschonken, maar een half uur na het ingaan van de avondklok wel. Kijken dus.

Interessant wat geluiden met je doen als ze in een stille stad hoegenaamd geen concurrentie van andere luchttrillingen ondervinden. Ze klinken lang door, als een verontrustende magneet trekken ze je naar de deur.

Ik zie drie, vier politieagenten en een man die zij kennelijk hebben aangehouden. Wie van hen zojuist iets riep kan ik niet zeggen. Ze praten nogal zacht en ze staan in het schijnsel van een lantaarn, een meter of vijf van mijn deuropening die nu dienst doet als een loge in mijn privétheater.

Op de achtergrond het zwaailicht van een politieauto: mooi dramatisch decor, kan niet anders zeggen.

Dan komt een van de agenten ineens met dreigende pas mijn kant op.

Nu ik een fietsendief levensecht voor me zie word ik opnieuw een slachtoffer – van mijn eigen compassie

‘Had u ons gebeld?’ Naar waarheid kan ik antwoorden dat zulks niet het geval was.

Agent beent terug, de mise-en-scène in.

Een van de agenten wijst de arrestant op zijn rechten. Dat hij zwijgen mag en een advocaat mag inschakelen. De arrestant mompelt iets terug, hij beklaagt zich. „Jazeker”, zegt een diender streng, „u probeerde een fiets te stelen. Dat konden wij duidelijk waarnemen.”

Een heterdaadje. Ik blijf staan kijken.

Opvallend genoeg voel ik geen wraaklust. Hoe vaak ik ook ben bestolen in mijn leven: nu ik een fietsendief levensecht voor me zie word ik opnieuw een slachtoffer – van mijn eigen compassie. De aanblik van de man, tamelijk klein, jaar of veertig, baardje, lichaamstaal: complete ontreddering, maakt me week. Zijn hulpeloosheid in het gele licht ontroert me zelfs. Ja, noem mij soft, maar alle keren dat ik een onzichtbare dief heb staan te vervloeken terwijl ik met een zielig, nutteloos geworden sleuteltje in mijn hand vertwijfeld om me heen keek, kunnen niet voorkomen wat ik nu voel voor die kerel op vijf meter van mijn drempel met zijn handen op de rug.

Juist omdat hij een sufferd is. Ik bedoel, wie gaat er nou fietsen jatten tijdens een avondklok? Op een tijdstip dat ieder geluidje op straat de buurt kan alarmeren? Dan ben je dom of slecht op de hoogte, of beide.

Ik weet het: fietsendiefstal in Amsterdam is steeds vaker het toneel van gehaaide bendes. Daar is weinig romantisch meer aan. Toch bezorgt dit tafereel mij onherroepelijk het sentiment van Fietsendieven: de oude film van Vittoria De Sica die me nooit heeft losgelaten. Misschien zie ik inderdaad een wanhopige vader zonder werk die uiteindelijk een fiets ging jatten om een baan te kunnen krijgen. Of een variant daarop.

Misschien wordt de pleger van een begrijpelijke, invoelbare misdaad nu op de achterbank van een politieauto de straat uit gereden.

Ik kijk hem na en denk: hopelijk was het allemaal een misverstand.

Auke Kok is schrijver en journalist.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.