Opinie

Erken musea als bakens van de tijdgeest

Museumbeleid De oprisping van een gretig Amsterdams raadslid verraadt de zwakte van de Nederlandse musea, signaleert
El Anatsui, In the world but don't know the world, 2009, collectie Stedelijk Museum Amsterdam
El Anatsui, In the world but don't know the world, 2009, collectie Stedelijk Museum Amsterdam

Onlangs meldde het Amsterdamse raadslid Diederik Boomsma (CDA) dat hij Roy Lichtensteins werk ‘As I Opened Fire’ (1964) uit de collectie van het Stedelijk „heel lelijk en oninteressant” vond. Daarom mocht het schilderij best worden verkocht om een gat in de begroting te dichten vond hij, waarop ik terugdacht aan een gebeurtenis van precies honderd jaar geleden.

Toen voelde de Amsterdamse kunstverzamelaar Jan Six zich door schulden gedwongen een topstuk uit zijn collectie te verkopen: ‘Het straatje’ van Johannes Vermeer. Six wilde er een miljoen gulden voor hebben, maar niemand in Nederland was bereid dat te betalen. In Frankrijk dachten ze daar heel anders over; daar waren ze zo enthousiast over ‘Het straatje’ dat ze bereid waren er een landelijke inzamelingsactie voor op te zetten. Op dat moment echter greep Henri Deterding, directeur van de Koninklijke Petroleum Maatschappij in. Hij kocht ‘Het straatje’ voor 625.000 gulden, en schonk het aan het Rijksmuseum op voorwaarde dat hij daarvoor geen lintje zou krijgen.

Minder Diederikken Boomsma

Hadden we maar meer kunstliefhebbers zoals Deterding, dacht ik. En minder Diederikken Boomsma.

Het probleem met de Boomsma’s van deze wereld is namelijk dat ze geen geheugen hebben. Waardoor ze óók niet weten dat ze zich met hun idee in een lange, heilloze traditie plaatsen. Elke zoveel jaar duikt er wel iemand op, binnen of buiten de museumwereld, die kunstwerken met eurobiljetten verwart.

Soms zijn dat museumdirecteuren. In 1991, bijvoorbeeld, opperde Rudi Fuchs, toen directeur van het Haags Gemeentemuseum, om een Monet en een Picasso uit zijn collectie te verkopen (Fuchs houdt meer van Mondriaan).

In 1999 overwoog Chris Dercon als directeur van Museum Boijmans Van Beuningen ‘zijn’ Rothko voor acht miljoen gulden op de markt te gooien. En in 2013 wilde Stanley Bremer een fors deel van de collectie Afrikaanse Kunst uit het Wereldmuseum verkopen.

Lees ook: ‘Voor verzamelaars is dit een buitenkansje’

Opvallend aan de directeurs-argumenten vóór vervreemding is altijd dat ze zo kortzichtig zijn: Fuchs, bijvoorbeeld, vond Monet in 1991 niet relevant voor het Gemeentemuseum. In 2019 organiseerde datzelfde museum een grote (en succesvolle) Monet-tentoonstelling. En Boijmans’ Rothko (die tegenwoordig zeker het tienvoudige zou opbrengen) mag dan niet perfect op zijn plek zijn in Rotterdam: één stad verderop, in het Stedelijk Museum Schiedam vonden ze hem zo mooi, dat ze er in 2019 een aparte zaal voor inrichtten waar je het schilderij, afgezonderd in je eentje, in alle rust kon bekijken.

Elke zoveel jaar duikt er wel iemand op die kunstwerken met eurobiljetten verwart

Daarom is het goed dat er afspraken zijn dat musea werken uit hun collectie niet zomaar kunnen verkopen. Want al die collecties bij elkaar zijn niet alleen van stedelijk, maar ook van nationaal belang.

Bovendien horen musea bakens te zijn in de stormen van de tijdgeest: door hun aankopen leggen ze vast wat er op een bepaald moment in de cultuur belangrijk wordt gevonden. En juist door die beslissingen voor de eeuwigheid te bewaren, tonen ze de reikwijdte van ons menszijn.

Lauwe reactie

Daarom was het ook zo pijnlijk om te zien hoe lauw er werd gereageerd op Boomsma’s schot voor de boeg, en de bijval die hij kreeg van collega-raadslid Wil van Soest (Partij van de Ouderen). De Amsterdamse cultuurwethouder Touria Meliani (GroenLinks) ging „nadenken” over Van Soests motie en Stedelijk-directeur Rein Wolfs kwam naar de raad om te vertellen dat er „strenge regels voor ontzamelen” zijn.

Niemand die voor de Lichtenstein opkwam, die verklaarde dat dit werk een mondiaal topstuk is uit de hoogtijdagen van de pop art en dat Lichtensteins oeuvre in onze cultuur zozeer gemeengoed is geworden dat veel mensen zijn beelden niet eens meer als Lichtensteins herkennen. Daar had Wolfs natuurlijk voor moeten zorgen, maar Wolfs zei niks. Net zomin als zijn collega directeuren.

Dat tekent de echte ramp die achter deze oprisping van een raadslid schuil gaat: dat de rol van musea in Nederland langzaam raakt uitgehold. Directeuren hebben minder geld, daarmee minder invloed, en durven zich steeds minder te roeren.

En door de toenemende nadruk op de waarde van kunst erodeert het besef dat musea er niet alleen zijn om de hoogtepunten uit het verleden te bewaren, maar ook om de klassiekers van de toekomst vast te leggen.

Daarom is het ook teleurstellend dat de Commissie Collectie Nederland, die vorig jaar werd opgericht, tot nu toe vooral over erfgoed praat, zoals de Rubens-tekening die prinses Christina van de hand deed.

Lees ook: Deze Rubens is niet onmisbaar

Terwijl er aan de horizon allang een veel nijpender probleem is verschenen: dat Nederlandse musea niet meer mee kunnen met de markt, waardoor er grote gaten ontstaan in ‘ons’ collectieve kunstbezit. En die gaten worden alleen maar groter in deze spannende, cultuur-turbulente tijden, waarbij er onder andere voor het eerst serieus aandacht opdoemt voor hedendaagse kunst van niet-westerse oorsprong – die in Nederlandse musea ronduit zwak is vertegenwoordigd.

Nieuwe topkunstenaars

Onlangs wist het Stedelijk eindelijk een prachtstuk te verwerven van de Ghanese kunstenaar El Anatsui, maar dat lukte alleen door het gezamenlijk te kopen met het Kunstmuseum Bern. Werk van andere nieuwe topkunstenaars als Faith Ringgold, Njideka Akunyili Crosby, Kerry James Marshall is in de Collectie Nederland sowieso zo goed als afwezig.

Daar zou de Commisie Collectie Nederland zich, met de verzamelde museumdirecteuren, druk om moeten maken – want er liggen kansen. Neem Marshall, de onbetwiste aanvoerder van de nieuwe generatie zwarte schilders.

Een van zijn beste werken, ‘Vignette’ (2003), werd in 2014 verworven door een Nederlandse privé-verzamelaar, op dat moment voor een recordbedrag van ruim één miljoen dollar. Sindsdien echter is de prijs van Marshall volkomen door het plafond gegaan (zijn veilingrecord ligt ruim boven de 15 miljoen) maar is ‘Vignette’ nog steeds in Nederlands bezit.

Daarvoor verdient deze verzamelaar alle lof en eer. Maar ik denk dat een Commissie Collectie Nederland pas echt goed werk zou doen, als ze laat merken dat ze zich bekommert om het behoud van een dergelijk topstuk, het liefst natuurlijk door deze verzamelaar te stimuleren tot Deterding-achtige generositeit – en andere verzamelaars met hem.

Daarvoor moeten die verzamelaars er óók op kunnen vertrouwen dat er geen Diederikken Boomsma opduiken die deze werken achter hun rug alsnog verkopen. Daar zit het belang van het behoud en verwerving van topkunst in musea: niet alleen erfgoed of schoonheid, maar als een investering in de toekomst.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.