Opinie

Babs Gons in warme jas

Frits Abrahams

In het nieuwjaarsgeschenk van uitgeverij Atlas Contact, een boekje met werk van vier ‘nieuwe dichters’, las ik voor het eerst gedichten van Babs Gons. Het waren drie lange, verhalende gedichten. Ze zullen deel uitmaken van haar debuut Doe het toch maar, dat in april uitkomt.

Ik vond het indrukwekkende gedichten, die je na de eerste lezing meteen enkele keren wilt herlezen. Niet omdat de betekenis duister is, integendeel, maar omdat ze in een bezwerende cadans een ontroerend verhaal vertellen dat tot hardop lezen uitnodigt.

Dat laatste bleek, achteraf, niet zo vreemd omdat Gons (1971) ook een performer is, die zich toelegt op ‘spoken word’, een literair genre dat Afrikaanse wortels heeft en in de jaren zestig in de Verenigde Staten opnieuw tot bloei kwam. Gons kwam er eind jaren negentig mee in aanraking bij een bezoek aan New York. Sindsdien laat het haar niet meer los en groeide ze in Nederland uit tot een prominente performer op dit gebied. In 2018 kreeg ze voor haar bijdrage aan kunst en cultuur een Black Achievement Award, een prijs voor personen en organisaties die zich als zwart rolmodel verdienstelijk hebben gemaakt in de Nederlandse samenleving.

Dat wist ik allemaal niet toen ik die drie gedichten zat te lezen. Ik dacht alleen maar: wat goed. Ook al zijn het, merkte ik later, misschien geen ‘echte’ gedichten, maar – zoals ze het zelf ergens heeft geformuleerd – „eilandjes tussen literatuur en performancekunst”.

Het eerste gedicht heet ‘Beste Wislawa Szymborska’ en gaat over twee bezoeken aan Polen met een interval van twintig jaar. Bij het bezoek in 1994 wordt de ‘ik’ in het gedicht nog racistisch toegesist, twintig jaar later, als ze het werk van Szymborska heeft gelezen, verzoent de literatuur haar met de werkelijkheid: „Mevrouw Wislawa Szymborska, u bent de mooiste papieren God die ik ken.” Want: „Ze beziet en bedenkt de wereld, ze voorziet haar van een/ warme jas, als deze te koud is.”

Hoe goed ze ook over liefde dicht in ‘Dat je voelt dat je liefhebt’, het beste gedicht vond ik ‘Je kan overal zijn, je kan iedereen zijn’. (Een klein deel ervan las ze in 2015 voor in een toen door mij niet geziene uitzending van DWDD). Het is een vadergedicht. Ik moet volstaan met de eerste en laatste strofe.

Wij, die opgroeien zonder onze vaders, blazen ze op tot/ mythische proporties. Hij werkt op een booreiland, is/ koning van een Afrikaanse stam, als een held gestorven in/ de oorlog, een geheim agent, een spion, hij woont in Rio./ We vertellen dit onszelf en iedereen die ernaar vraagt./ Want vragen doen ze./ Het klinkt draaglijker dan ik weet het niet, bij zijn andere/ vrouw en kinderen, in de gevangenis. Het is net wat prettiger/ dan hij schrijft nooit een kaart, hij belt nooit op, hij komt/ nooit langs maar ik weet dat hij weet waar mijn huis woont.

[...]

Wij, die opgroeien zonder eigen vaders, hebben ons hart/ gebroken al ruim voor onze eerste liefde. De eerste man in/ ons leven heeft ons verlaten.

Ik kan me voortaan geen bloemlezing uit Nederlandse poëzie meer voorstellen zonder dit gedicht. Op YouTube staan filmpjes waarop Gons het uitstekend declameert, maar dit gedicht draagt, evenals de andere twee, ook louter op papier die warme jas van Szymborska die de wereld soms draaglijk maakt.