Foto Frank Ruiter

Interview

Frénk van der Linden: ‘We zijn zo verschrikkelijk slecht in scheiden’

Lunchinterview Frénk van der Linden (63), journalist, schreef een boek over de veertigjarige scheidingsoorlog tussen zijn ouders. „Je wil dat de mensen die jou hebben gemaakt zich fatsoenlijk met elkaar verstaan.”

Toen Frénk van der Linden zestig werd, eerde Museum de Fundatie de „woordportrettist” en interviewer met de tentoonstelling Onder Hollandse helden. En er verscheen ook een gelijknamige bundel (zijn vierde) met daarin een selectie uit veertig jaar interviews. Interviewer Sara Berkeljon interviewt hem daar in 2017 over voor de Volkskrant. Zij volgde een paar jaar eerder een cursus interviewtechniek bij hem en ze onderwerpt hem aan wat hij zelf de ‘rugbymethode’ noemt. Robbertje duwen en trekken. Hij worstelt sportief mee en vraagt of ze zich wel een beetje goed heeft voorbereid en intelligente vragen voor hem bedacht of, en nou komt het: „Zetten we de plaat over de scheiding van mijn ouders maar weer op?”

Over die scheiding had hij jaren eerder – in 2009 – een film gemaakt, Verloren Band. Aan het woord komen, los van elkaar, zijn vader Jan, vrachtwagenchauffeur uit Hillegom, en zijn moeder Erica. Zij heeft hem veertig jaar eerder verlaten voor haar minnaar en hij weigert sindsdien met haar te praten – hij gaat nog liever dood. Frénk is dertien als ze scheiden en hij verklaart daarop zijn moeder dood. De rechter wijst hem en zijn zusje Désirée toe aan hun vader – een unicum voor die tijd. De film is zijn laatste poging de strijd tussen zijn ouders te beslechten en hij krijgt zijn vader na de film zover dat hij na een half leven ‘ik haat haar’ zeggen, bereid is tot een ontmoeting.

Tegen de Volkskrant-interviewer zegt Frénk van der Linden dat de scheiding weliswaar een sleutelmoment was in zijn leven, maar dat het „te simpel” zou zijn om daarmee zijn „hele wezen” te verklaren. Oké, prima. Maar twaalf jaar na de film en ruim drie jaar na dat interview verscheen zijn boek En altijd maar verlangen. Ondertitel: De liefdesoorlog van mijn ouders. Dus ja, als we bij hem thuis in Haarlem lunchen, gaat die plaat over de scheiding toch weer op.

Hij ontvangt met één poes op zijn arm, de ander ligt opgekruld op de velours bank. We zitten aan zijn keukentafel, glaasje water erbij, en praten over zijn ouders alsof ik ze ook ken. Over zijn vader die als „simpele ziel het mooiste meisje van de bollenstreek aan zijn truck” wist te binden. Zo een die op z’n ouwe dag – met mes en vork – z’n eigen tanden en kiezen trok, want een tandarts kost maar geld. En toen de kanker in zijn lijf woekerde, na een leven lang zonnebank en shag roken, bliefde hij nog geen paracetamolletje. „Zijn soort sterft uit.” Ruwe bolster, blanke pit, met de zelfkennis van een flinke boomstam. Aan hém had het niet gelegen die scheiding, hij deed niks verkeerd, hij was perfect, maar zij…

Gestrande huwelijken

Zij, „het gekkenhuis”, zoals hij Frénks moeder noemde, was verscheurd geraakt door de liefde voor twee mannen. Ze koos voor minnaar John, maar alleen omdat de psychiaters haar tot een keuze dwongen. „Tot haar dood had ze hetzelfde mantra: ‘Waarom moest ik kiezen? Waarom mocht ik wel van meer dan één kind houden, maar niet van twee mannen?’” En Frénk, inmiddels staand bij de open ijskast, weet het antwoord daarop nog steeds niet én windt zich erover op. „Hoe kan het dat zoveel weldenkende mensen serieus geloven dat al onze liefde voor altijd voor één iemand is?” Zelf is hij drie keer getrouwd en twee keer gescheiden. Het is verleidelijk, schrijft hij, om de loopgravenoorlog van zijn ouders als excuus te gebruiken voor zijn gestrande huwelijken. Hij is door zijn jeugd gebutst en getekend, zegt hij. „Maar volwassen zijn betekent dat je de schuld van wat er fout gaat in je leven niet meer bij je ouders zoekt, maar bij jezelf.”

We zijn, zegt hij, zo verschrikkelijk slecht in scheiden. Zijn ouders waren kinderen van hun tijd, met nauwelijks vijf jaar lagere school. „Onmachtig en onwetend, die hele generatie had het nooit over gevoelens. Mijn ouders hebben er naar beste kunnen wat van gemaakt.” Maar we zijn een halve eeuw verder, hij interviewde dozijnen politici, professoren, „mensen met verstand met een hoofdletter V”, over verlaten en verlaten worden. „En vaak denk ik: jullie doen het geen haar beter dan ik het heb meegemaakt.”

Hij zet borden op tafel – „Waar heb je zin in?” – warmt soep op en snijdt plakjes vers gerookte zalm. Waarom, vraag ik, bleef je vader zo vreselijk lang boos op je moeder? Hij priemt zijn mes in de lucht. „Het is nog veel erger. Hij dácht dat hij boos was, daaronder verlangde hij zich te pletter naar haar, maar zónder dat hij ten diepste van haar hield. Hij hield van niemand. Ja, van zijn Daf-truck.”

De kijkers van zijn film waren op de hand van zijn vader, zegt hij. „Ze vonden hem een klootzak, maar wel hún klootzak.” Bijna alle lezers van zijn boek kiezen de kant van zijn moeder. „Dat is verrassend én teleurstellend. Ik wil laten zien hoe gelaagd en innerlijk tegenstrijdig zo’n conflict is. Dat er geen echte keuze is. Ik had nooit moeten kiezen, anderen moeten daar ook voorzichtiger mee zijn.”

Hij schreef als dertienjarige namens zichzelf en zijn zusje een brief aan de rechter. Strekking: onze moeder is „ontaard”, we willen haar uit ons leven. „Er was wel een soort omgangsregeling, maar daar onttrokken we ons lekker aan.” Hij herinnert zich hoeveel genoegen hij erin schepte haar brieven te verscheuren. Dan werd je, zeg ik, behoorlijk meegezogen in je vaders woede. „Ik protesteer tegen dat woord meegezogen. Ik draag er zelf verantwoordelijkheid voor. Het was mijn eigen, authentieke razernij. Ze had mij en mijn zusje net zo goed bedrogen en dat zou ik haar vreselijk betaald zetten.” Zij had hem altijd op een „gouden dienblaadje” gedragen, en hij haar. „Ik bracht haar ’s ochtends ontbijt op bed. We waren stapel op elkaar.” En toen hij haar na tien jaar zwijgen weer opzocht, waren ze dat weer.

„Maar in alle eerlijkheid, mijn vader heeft er alles aan gedaan om ervoor te zorgen dat wij haar nog meer gingen haten. Had hij onder één nagel verstand gehad, dan had hij gezegd: ‘Ik mag een pleurishekel hebben aan die vrouw, maar het is wel je moeder, ik schop je naar haar toe.’”

Vrieskist

Waarom maakt een kind zo’n geharnaste keuze? Hij stelt de vraagt zelf. En hij antwoordt: „Zo’n kind wil duidelijkheid, en voelt zich in alle zwart-witheid gedwongen te kiezen. Dat is faliekant verkeerd, want in ultimo verwondt het kind zichzelf. Zo’n wond gaat etteren, daar gaan levenslang prijzen voor betaald worden.” Wat was zijn prijs? „Dat ik altijd in een vrieskist heb gezeten. Een soort verijzing, emotionele gemankeerdheid.”

Hij was als verslaggever bij het studentenprotest, op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking. „Doden hier, doden daar. Niets voelde ik. Niets.” En voelde hij wel iets bij minder wereldnieuwsachtige gebeurtenissen? „Als ik trouwde, als we de Europacup wonnen, als een vriend ziek was… Ik voelde niet niets, maar dacht wel: wat blijf je kil.”

Gaandeweg zijn boek lijkt hij steeds bozer op zijn vader te worden. Was zijn vader nou altijd al rancuneus en narcistisch of wérd hij zo? Hij zucht. „Hoeveel mensen heb jij geïnterviewd? Ik wel zesduizend of achtduizend. En eigenlijk vind ik het steeds moeilijker worden om te achterhalen wat iemand maakt tot wie hij is.” Benno, zegt hij. „Ik denk dat Benno de sleutel is.” Benno is het zoontje dat zijn vader kreeg met zijn nieuwe vrouw Greet. Zij kwam met haar drie kinderen van diverse vaders bij Frénk, zijn zus en hun vader in de krappe flat wonen. „En inenen kwam Benno, een ongelukje. Hij leek onze twee gezinnen te verenigen, die zo totaal niet bij elkaar pasten.”

Benno was twee en kon nét lopen toen hij werd overreden door een oom die zijn vrachtwagen uitparkeerde op de binnenplaats, hemelsbreed zeven meter van Frénks slaapkamerraam. „Mijn vader kon al niet verdragen dat zijn vrouw hem had verlaten, maar dat God of het lot hem ook nog eens Benno ontnam, terwijl mijn moeder twee stikgezonde dochters had gekregen met die klootzak, dat was te veel.” In zijn hoofd was het allemaal háár schuld. „Als zij niet bij hem was weggegaan, was hij nooit met Greet geweest, was Benno niet geboren en dus ook niet dood.”

Liefdesoorlog

Benno’s dood lijkt me ook wel een sleutelmoment in zijn leven, toch? Is hij daarom nooit aan kinderen begonnen? Verklaart dat niet veel meer zijn ‘verijzing’, die vrieskist waar hij inzat? „Dat is geen irreële veronderstelling”, zegt hij. En dan: „Ik herinner me dat ik in het gangetje stond voor ik de kamer inging waar mijn vader zat. Ik had het net gehoord, van Benno. Maar ik voelde niks. Ik gaf mezelf een paar klappen in mijn gezicht, perste er een halve traan uit om er maar blijk van te geven dat het me heel veel deed. Het leek totaal niet binnen te komen. En dat is jaren zo gebleven. Ik geneerde me ervoor dat niks me echt raakte.” Hij ruimt de tafel af. Geen zorgen, zegt hij. Tegenwoordig huilt hij om álles.

Lees ook: Deze scheiding leidde tot ouderverstoting, met dramatische gevolgen.

Hij pakt een uitgeprinte mail van tafel – hij kreeg er honderden – van een man van boven de tachtig die schrijft dat hij nu pas kan rouwen om het kapotte huwelijk van zijn ouders. Hij slaat met zijn hand tegen het vel papier. „Dát bedoel ik nou. Wat het met een mens doet… Die diepe wens…” Dat ouders het met elkaar goed maken? „Nee, zo’n naïeve klojo ben ik niet. Je wilt iets heel redelijks, namelijk dat de mensen die jou hebben gemaakt, die jou de wereld in hebben geholpen, zich fatsoenlijk met elkaar verstaan en je niet levenslang terroriseren met hun liefdesoorlog.”