De opvallendste zaken uit de verkiezingsprogramma’s

Stemmen De NRC Stemhulp bekijkt en vergelijkt de verkiezingsprogramma’s op thema. Wat valt er te kiezen?

Politieke partijen zijn er zelf vaak maanden druk mee, maar wie leest ze? Verkiezingsprogramma’s roepen elke Tweede Kamerverkiezingen weer schamper commentaar op. Mooie plannen, vaak wollig geformuleerd, gedoemd weinig gelezen te worden. En hoeveel van die beloftes worden nagekomen?

Maar ook al lezen weinig kiezers verkiezingsprogramma’s, ze zijn van grote invloed op het nieuwe kabinetsbeleid – en vertellen bovendien veel over hoe partijen zich de komende jaren zullen opstellen. Er is een „behoorlijke overeenkomst tussen de posities die partijen innemen in hun programma’s en wat ze zeggen in het parlement”, zegt politicoloog Tom Louwerse die daarover in 2011 een onderzoek publiceerde. Dat klinkt logisch, maar kiezers hebben daar weinig vertrouwen in, aldus Louwerse.

Econoom Wimar Bolhuis onderzocht voor de periode 1986-2017 welke beloftes de partijen deden die later in een kabinet belandden. Bolhuis gebruikte de plannen die partijen hadden laten doorrekenen door de economen van het Centraal Planbureau. Bolhuis: „Daaruit blijkt dat 69 procent van de beloftes uiteindelijk in het regeerakkoord terechtkwam.”

Bolhuis ontdekte ook dat er één opvallende belofte aan kiezers is, die vaak niet wordt waargemaakt: de lastendruk op burgers is sinds 1986 onder elk kabinet hoger dan vooraf werd beloofd. Dat is een mogelijke verklaring voor het wantrouwen onder kiezers.

Indirect informeren de programma’s kiezers wel degelijk. Via de kritiek of lofzang van maatschappelijke organisaties op bepaalde plannen. Via samenvattingen in de media. En vooral via de populaire Stemwijzer en Kieskompas, die stellingen voorleggen en zo mensen helpen bepalen welke partij dichtbij hun overtuigingen ligt. Voor de Tweede Kamerverkiezingen in 2017 werd de Stemwijzer bijna zeven miljoen keer ingevuld.

Om kiezers te helpen, vatte NRC de programma’s van veertien politieke partijen die voorkomen in de Peilingwijzer (een gewogen gemiddelde van peilingen van drie bureau’s) per thema kort samen. Met de online NRC Stemhulp kunnen kiezers per thema of per partij door de plannen bladeren. Hier een aantal zaken die opvielen.

Van heel gedetailleerd tot superkort

Het kortste verkiezingsprogramma is dit jaar niet van de PVV. In het verleden wist die het eigen gedachtengoed te beperken tot één A4-tje. Deze keer worden 52 pagina’s gebruikt, 30 méér dan hekkensluiter 50Plus, en 20 méér dan de SP, al staan er bij de SP wel meer woorden in: 9.900 tegenover de 9.200 van de PVV.

D66 spant de kroon in pagina’s (208), woorden (70.000) en met een haast ambtelijke precisie. Ook de ChristenUnie (144 pagina’s, 62.000 woorden) zet extreem gedetailleerd uiteen hoe het verder moet met het land.

De programma’s van Forum voor Democratie en afsplitsing JA21 lijken sterk op elkaar (als enige pleiten ze voor de bescherming van „categorale gymnasia”), maar JA21 heeft wel bijna twee keer zoveel woorden nodig om ongeveer hetzelfde te zeggen.

Dromen mag weer – en met geld smijten ook

De coronacrisis heeft, ondanks alle ellende, ook een ‘bevrijdend’ effect: geld mag rollen. Mede door de pandemie ligt er meer nadruk op idealisme en ambities en minder op haalbaarheid en kosten. Een hogere staatsschuld mag weer – en daarmee dromen ook. De rente is laag, de Europese begrotingsregels zijn (even) minder belangrijk.

En dus staat het woord ‘miljarden’ vaak in de programma’s. GroenLinks wil een Klimaatfonds van 60 miljard euro oprichten, de PvdA wil een „coronareddingsfonds” en „miljarden aan noodzakelijke investeringen”, de ChristenUnie wil de komende tien jaar 50 miljard investeren in „eenmalige projecten” op het gebied van openbaar vervoer, de regio, innovatie, klimaat en energie. En zelfs de VVD schrijft: „In plaats van bezuinigen, kunnen we de economie nu juist stimuleren.”

De zorg over wie straks de rekening gaat betalen, is echter nooit ver weg. „Gratis geld bestaat niet”, schrijft het CDA. D66 pleit voor een mid-term review om halverwege de kabinetsperiode te kijken of de financiële prioriteiten nog wel kloppen.

De publieke sector doet er weer toe

De publieke sector is aan herwaardering toe: over weinig zijn politieke partijen het ogenschijnlijk zo gloeiend met elkaar eens. Zelfs de VVD schrijft: „Een terugtrekkende overheid gold decennialang als het recept voor een goed ondernemingsklimaat, economische groei en stijgende welvaart van mensen.” Nu zegt de partij: „De markt alleen is niet altijd in staat gebleken dit zelf goed te regelen.”

Rechtse middenpartijen zijn over het algemeen linkser dan vier jaar geleden, maar dat betekent niet per se dat de kloof met linkse partijen kleiner is geworden. Want ook linkse partijen zijn linkser geworden.

Vrijwel alle partijen vinden wel dat zorgverleners, leraren en agenten een fatsoenlijk salaris verdienen. Over wat een fatsoenlijk salaris is, verschillen de meningen. Veel partijen vinden dat er een structurele salarisverhoging moet komen, in ieder geval voor zorgverleners en leraren. De VVD vindt dat leraren er al op vooruit zijn gegaan en dat zorgverleners meer geholpen zijn met „aantrekkelijker werkomstandigheden”.

Ook breed gedragen is de wens meer te investeren in uitvoeringsorganisaties als uitkeringsinstantie UWV, immigratiedienst IND en de Belastingdienst. Niet in de laatste plaats door de Toeslagenaffaire, waarbij burgers ten onrechte als fraudeurs werden bestempeld.

Nederland is stuk en moet worden gerepareerd

Het beeld van Nederland dat naar voren komt, is dat van een klushuis. Er moet van alles worden gerepareerd en eerdere hervormingen moeten worden teruggedraaid. Zoals op de arbeidsmarkt: veel partijen wijzen op de wildgroei aan flexcontracten. We „repareren de fouten van doorgeschoten beleid”, aldus het CDA. Door het duurder maken van flexibele contracten, moet het vaste dienstverband weer in ere worden hersteld, zeggen veel partijen. Linkse partijen willen eerdere versoberingen van de sociale zekerheid terugdraaien. Er moet een vangnet komen voor alle werkenden, inclusief zzp’ers, vindt ook de VVD.

Veel partijen zien een crisis in het onderwijs: kinderen leren niet goed lezen, de kansenongelijkheid neemt toe. Ook het belastingstelsel, de ruimtelijke ordening, de landbouw, de woningmarkt – het moet allemaal anders. De zorg moet anders worden georganiseerd: in de wijk (50Plus), in de buurt (GroenLinks), regionaler (D66), met minder marktwerking (CDA), als nutsvoorziening (PvdA), via een nationaal zorgfonds (SP). Waarbij streekziekenhuizen blijven bestaan en huisartsen meer tijd krijgen voor patiënten.

Ook opvallend: veel partijen zien veel in preventie of „leefstijlinterventies”, zoals D66 het noemt. De Partij voor de Dieren wil daarom nieuwe vestigingen van fastfoodketens en snackbars beperken. De SGP vindt dat het overheidsgeld voor topsport beter „naar het stimuleren van bewegen” kan. Veel partijen willen btw op fruit en groente afschaffen. Ook de coronacrisis heeft invloed: veel partijen willen meer intensivecarebedden.

Grotere worsteling met Europa

Meer of minder Europa: het is de vraag die doorgaans centraal staat in het Nederlandse debat over de Europese Unie. Politieke partijen worstelen daar meer mee dan vier jaar geleden. Het besef dat Nederland te klein is om internationale problemen zelf aan te pakken, is nu groter.

De SGP blijft een euro-kritische partij, maar vindt, net als veel andere partijen, dat de EU de productie van medicijnen en hulpmiddelen meer in eigen hand moet nemen. Het CDA wil „een meer zelfbewuste EU die voor meer staat dan een interne markt alleen”. De VVD wil nog steeds een hoop niet (geen extra financiële solidariteit, geen stijging van de Nederlandse afdracht) maar noemt het EU-lidmaatschap „cruciaal voor de Nederlandse welvaart en veiligheid”.

De ChristenUnie, vier jaar geleden kritisch over EU en de euro, pleit nu hardop voor meer Europese samenwerking op het gebied van klimaat en migratie, maar ook op het gebied van defensie. JA21 maakt zich zorgen over „de assertiviteit van China, de moeizame relatie met Rusland en de politieke polarisatie in de VS”. De partij spreekt zich anders dan de FVD ook niet uit voor een Nexit.

Grote bedrijven de sigaar

Grote bedrijven zijn minder populair, het mkb des te meer. In het vorige verkiezingsprogramma van de VVD werd het midden- en kleinbedrijf 4 keer genoemd, nu 35. Kleinere bedrijven verdienen „meer bescherming tegen oneerlijke concurrentie van Big Tech- en Big State-bedrijven”, vindt de VVD. „Tijdens de liberale strijd tegen een te grote en betuttelende overheid is de macht van sommige private partijen soms doorgeschoten.”

Lees ook: Kapitalisme wordt wat socialer in verkiezingsprogramma’s grote partijen

De macht van grote bedrijven is een terugkerend thema in de programma’s, maar met verschillende accenten. Linkse partijen eisen vooral een einde aan het gunstige belastingregime voor grote bedrijven en aan allerhande subsidies. Middenpartijen zijn vaker bezorgd over het geopolitieke gemak waarmee grote Amerikaanse bedrijven en Chinese bedrijven zich, die laatste vaak met staatssteun, in de EU weten in te kopen – terwijl dit omgekeerd veel moeilijker is. En op de rechterflank zijn partijen vooral bezorgd over censuur, omdat Twitter en Facebook de informatiekraan ook blijken te sluiten.

Cultuurstrijd in het onderwijs

Over wat aan kinderen en jongeren onderwezen moet worden, woedt een loopgravenoorlog. Het ene kamp wil meer aandacht voor het koloniale verleden, racisme, mensenrechten, burgerschap en seksuele voorlichting (PvdD, Denk, D66, GroenLinks). Het andere eist actie tegen ‘linkse indoctrinatie’ en islamitisch onderwijs (PVV, JA21, FVD, SGP). De PvdD wil dat vlees de uitzondering wordt in schoolkantines (‘Carnivoor? Geef ’t door!’). De PVV wil dat dagelijks de vlag wordt gehesen, om „ons Nederlandse karakter te benadrukken”.

Over laaggeletterdheid is er wel consensus. Het CDA en de PvdA willen een „offensief” om de leesvaardigheid te verbeteren. Nog meer consensus is er over de omvang van klassen en scholen. Het onderwijs moet kleinschaliger, vinden zowel de PVV als Denk. De SP voert „een kleine klassenstrijd”.

Klimaatbeleid is mainstream geworden

In 2017 was in verkiezingsprogramma’s minder aandacht voor klimaatbeleid, terwijl het kabinet-Rutte III daarna op dat terrein wel vergaand beleid aankondigde. Deze keer komt het thema uitgebreid aan bod. Er valt ook echt wat te kiezen. D66, GroenLinks en de Partij voor de Dieren willen dat Nederland sneller gaat dan de Europese Unie bij het verminderen van de CO2-uitstoot. Door de uitstoot van bedrijven zwaarder te belasten, rekeningrijden in te voeren of de veestapel te krimpen. VVD, CDA en ChristenUnie willen Europees in de pas blijven lopen, uit vrees dat er bedrijvigheid verdwijnt naar andere landen. SP en PvdA kiezen voor een aangescherpt doel, maar voor de PvdA wel het liefst in Europees verband.

Nog zo’n strijdpunt: kernenergie. CDA en VVD zien daarin een oplossing, maar voor GroenLinks, PvdA, SP en Partij voor de Dieren is een nieuwe kerncentrale uit den boze. D66 houdt de deur open, maar wil geen subsidie in kernenergie steken. De ChristenUnie sluit kerncentrales niet uit, maar wind en zon hebben de voorkeur. Er zijn maar een paar partijen die klimaatbeleid afwijzen: PVV, FVD en JA21.

Migratie blijft een politiek mijnenveld

Het is het onderwerp waar tijdens het kabinet-Rutte III misschien wel het minste schot in zat: asiel en migratie. De VVD wilde amper concessies doen aan de coalitiepartners en ook op Europees niveau lukte het niet tot een minder rommelig asielbeleid te komen. Afgaande op de verkiezingsprogramma’s dreigt dat scenario zich te herhalen. Op sommige vlakken mag de VVD dan linkser zijn geworden, op het gebied van asiel is de partij dat niet.

De VVD vindt het asielbeleid te aantrekkelijk. De hervestiging van kwetsbare vluchtelingen wordt afhankelijk gemaakt van het draagvlak hiervoor en dat kan „ook nul” zijn. In principe moeten vluchtelingen uiteindelijk terug naar het land van herkomst, tenzij ze „zelfredzaam” zijn. Dat staat in schril contrast met D66, dat het VN-quotum voor kwetsbare vluchtelingen wil vertienvoudigen, van vijfhonderd naar vijfduizend mensen per jaar. Of met de ChristenUnie, dat pleit voor terugkeer van de discretionaire bevoegdheid van een bewindspersoon om toch asiel te verlenen.