De fietsbel lijkt er tegenwoordig alleen nog voor de sier te zitten

Fietsbel We bellen niet meer, ziet Arnoud Veilbrief. Op de fiets scheren we elkaar voorbij, met als gevolg dat de ander zich soms rot schrikt.

Foto Getty Images, bewerking NRC

Het zal een jaar of twintig geleden zijn dat stadsbussen die geen dienst hadden opeens sorry begonnen te zeggen. Niet langer stond er ‘geen dienst’ op de balk boven de chauffeur, maar ‘sorry, geen dienst’.

Daar moest ik aan denken toen ik gisteren onverhoeds rakelings voorbijgesneld werd door een fietser. Dat zit zo.

Fietsers bellen niet meer. Het bellen is uit de tijd. Net zoals bellen met de telefoon een beetje uit de tijd is, maar dat terzijde. Al bestaat er waarschijnlijk een verband tussen die twee.

Het overkomt me bijna dagelijks dat ik rakelings van achteren word gepasseerd door een fietser. Door wielrenners, maar net zo goed door scholieren, fietskoeriers en dertigers met oordopjes in. De ander bestaat niet, hooguit als obstakel.

Voordat dit op een oudemannenpraatje begint te lijken: ik ben in de veertig, ik ben fit, slinger niet, ben niet hulpbehoevend of gehandicapt en ja, ik hoor nog prima. Ik ben gewoon een rustige fietser. Tenzij ik haast heb – en wie haast heeft is te laat vertrokken – sukkel ik met een vaartje van een kilometer of tien per uur. Gewoon, omdat ik dat fijn vind. Te langzaam kennelijk voor de meesten. Zelfs voor die babyboomers met hun kortpittige kapsels die op hun nagelnieuwe e-bikes voortjakkeren over de fietspaden in hun praktische allweatherkleding. Nog zo veel te doen.

Maar over het bellen ging het. Over het niet meer bellen. Dit kan niet meer zijn dan een eenmansobservatie en misschien is het een Haags probleem, maar ik hoor ze nooit meer, de fietsbellen.

Is dat erg? Misschien niet heel erg, maar wel vervelend. Het fietsen wordt er onrustig door. Steeds moet je erop bedacht zijn dat iemand onverwachts achter je opduikt. Je hartslag maakt een sprong, de schok van de onverhoedse aanval wekt irritatie en soms woede op, maar de boosdoener is hem al gesmeerd.

Eén keer ben ik er achteraan gegaan. Ik maakte een toertochtje op mijn racefiets door de duinen. Hij dook achter me op. Onze ellebogen – of was het verbeelding? – raakten elkaar en zonder een gebaar van excuus stoof hij verder, vast op weg naar een nieuw persoonlijk record. Ik zal je krijgen, dacht ik.

Symfonie van verchroomd ijzer

Kilometers achtervolgde ik hem en tot mijn plezier kreeg hij het snel in de gaten. Zenuwachtig begon hij om te kijken en zag hij hoe ik steeds dichter bij hem in het wiel kwam. Ik begon met hem te spelen. Wat terugzakken en dan weer dichterbij. Uiteindelijk liet ik los.

Ooit, in de overgeleverde herinneringen uit zwart-witfilms, was het anders. Als de zon opkwam en de straten zich vulden met solide Hollandse rijwielen was de stad een concert van rinkelende fietsbellen. Op het eerste gezicht chaotisch, maar in werkelijkheid ordelijk. Tring tring, pas op, ik kom eraan! Een symfonie van verchroomd ijzer. Een muziekfestival van burgerlijke bedrijvigheid.

Fietste ik als jongetje uit de pas, dan klonk vroeg of laat de vermaning van de fietsbel. Ik voelde me op mijn plaats gezet en kreeg een lesje burgerfatsoen, maar gevaar viel er niet te duchten.

Wanneer is dat veranderd? Waarom bellen we niet meer, bellen we elkaar niet meer?

Vanwaar die contactschuwheid?

Bellen is elkaar waarschuwen, maar soms ook elkaar corrigeren. Daar zit het hem waarschijnlijk in. Niemand wil nog gecorrigeerd worden. De fietsbel als een relict uit een autoritair verleden. Een indringer in de heilig verklaarde persoonlijke ruimte.

Ze zijn trouwens ook kleiner geworden. Kijk maar eens. De kloeke klok van weleer zie je zelden meer.

Zijn we te onverschillig geworden, te hard? Of juist te gevoelig, te zacht? We scheren elkaar liever voorbij zonder te storen. Uit discretie. Met als gevolg dat de ander zich soms rot schrikt.

Ik ben er niet uit. Het zal een mengelmoes van alles zijn. Onverschilligheid, maar ook angst voor de reactie van de ander. Zoals de bange bus die sorry zegt dat hij geen dienst heeft.