Opinie

Plannen van Draghi voor Italiaans herstel geven vertrouwen

Italië

Commentaar

Het is zeker niet voor het eerst dat een ‘technocraat’ wordt aangezocht om politiek en economisch haperend Italië vlot te trekken. Maar de zaterdag beëdigde premier Mario Draghi, die deze week in het parlement zijn regering van nationale eenheid presenteert, heeft op de keper beschouwd een betere uitgangspositie in die rol dan zijn voorgangers. Dat is hoopvol voor Italië zelf en belangrijk voor het vertrouwen in de rest van Europa, niet het minst in de landen van de eurozone.

Over Draghi’s reputatie als standvastig bestuurder bestaat nauwelijks enige twijfel. Met drie op het juiste moment uitgesproken woorden redde hij als president van de Europese Centrale Bank in 2012 de euro. „Whatever it takes” zou hij uit de kast trekken om te voorkomen dat de muntunie uit elkaar zou vallen. Dat heeft zijn gezag niet alleen in Brussel gevestigd, ook in Italië zelf is hij volgens peilingen populairder dan veel partijpolitici.

Van dat politieke gewicht maakte hij verstandig gebruik toen president Sergio Mattarella hem vroeg om een regering te vormen. Dat was nodig toen de kleine centrum-linkse partij Italia Viva van oud-premier Matteo Renzi de coalitie met de populistische Vijfsterrenbeweging eind januari getorpedeerd had en de president nieuwe verkiezingen op dit cruciale moment te riskant vond. Draghi ging akkoord op voorwaarde dat een parlementaire meerderheid hem zou steunen.

Die steun kreeg hij – en meer nog. Praktisch alle partijen, uitgezonderd het conservatief-nationalistische Fratelli d’Italia, maken deel uit van de nieuwe coalitie. De regering bestaat niet louter uit technocraten, maar ook uit vertegenwoordigers van die partijen. Dat is een slimme zet, zeker gezien de uitgesproken pro-Europese koers die hij in het vooruitzicht heeft gesteld en waar de bewindslieden zich achter moesten scharen. Zelfs de EU-sceptische Lega Nord en de kritische Vijfsterrenbeweging steunen de nieuwe regering.

Lees ook: De vier gezichten van de sluwe redder van de euro

Draghi verkeert in de relatieve luxepositie dat hij niet op voorhand drastische bezuinigingen hoeft aan te kondigen – zoals bijvoorbeeld Mario Monti in 2011, evengoed ‘technocraat’ en aanvankelijk ook populair. Sterker nog, dat de president zo’n haast had, was niet alleen vanwege de gezondheidscrisis, maar ook omdat Italië in april moet duidelijk maken hoe het denkt het immense bedrag van 209 miljard euro uit het Europese herstelfonds uit te gaan geven.

Terwijl de Nederlandse economie in 2020 met 3,7 procent kromp, is de schatting dat de Italiaanse met bijna 9 procent onderuit is gegaan. Italië zal er volgens Draghi langer over doen om terug te komen op het niveau van voor de pandemie dan de meeste andere landen omdat het de crises van 2008-2009 en 2011-2013 nog niet echt te boven is. Terecht en zonder overdrijving sprak hij woensdag in de Senaat van „wederopbouw” – met verduurzaming en technologische modernisering als noodzakelijke speerpunten.

De Italiaanse economie is in omvang nog altijd de derde van de eurozone. Geen Europees herstel dus zonder krachtig Italiaans herstel. Draghi is met zijn staat van dienst de aangewezen man om aan die delicate missie vorm te geven. Maar of hij na de euro ook Italië kan redden, hangt de komende maanden af van de bestendigheid van zijn coalitie en van de vraag of hij snel resultaten kan laten zien. De steun van Lega lijkt in de eerste plaats strategisch, die van Vijfsterren is na een ledenraadpleging (59 procent vóór) fragiel. Voor uiterlijk 2023 staan bovendien alweer nieuwe parlementsverkiezingen op het programma en in 2022 zou Draghi zelf een gooi naar het presidentschap kunnen doen. Tot dan geldt: whatever it takes.