Hoe de pandemie ons kan leren met verlies om te gaan

Verlies verloor al vroeg beide ouders en vraagt zich af, nu niemand volledig gespaard blijft: maakt deze tijd ons vertrouwder met verdriet?

Illustratie Lizan Vermeulen

‘Dit is denk ik het ergste dat we ooit mee gaan maken’, zei een vriendin ergens halverwege de eerste lockdown. Op een zonnige lentedag liepen we door een zo goed als verlaten stad met een blikje bier in onze hand, op anderhalve meter afstand van elkaar. Een ‘borrelwandeling’, noemden we dit soort ontmoetingen inmiddels. Ze doelde op het stilvallen van het leven zoals we het altijd hadden gekend, op al onze plannen die zomaar van tafel waren geveegd en op de ongewisse toekomst die voor ons lag.

‘Laten we het hopen’, zei ik tegen haar.

Ik zei niet tegen mijn vriendin dat ik dit gevoel al kende. Ik wilde niet overkomen als zo’n persoon die geen enkele kans onbenut laat om het over zijn eigen verdriet te hebben. En toch dienden ze zich na de dood van mijn ouders ook geregeld aan, al die onprettige gevoelens die ik ook in de begindagen van de lockdown ervaarde. Het gevoel geen onderdeel uit te maken van het dagelijkse leven, de eenzaamheid en de vrijwel voortdurende gedachte: hoe nu verder?

De pandemie had wel iets weg van een herbeleving. Op sommige dagen voelde het alsof ik aan het rouwen was, vooral als ik met mijn kat op schoot naar de zoveelste persconferentie aan het kijken was, waarbij er nieuwe maatregelen waren aangekondigd die ons alsmaar verder verwijderden van ‘het oude normaal’.

Een belangrijk verschil was dat nu niet alleen míjn leven abrupt tot stilstand was gekomen, maar ook de levens van alle mensen om me heen.

Ik verloor mijn vader toen ik negentien was (aan een hartstilstand), vier jaar later stierf ook mijn moeder (vermoedelijk ook aan een hartstilstand). Mijn twee oudere zussen en ik bleven met zijn drieën achter. Voor zover wij wisten, waren onze ouders altijd gezond geweest. Ze rookten niet, dronken niet buitensporig veel en hielden van wandelen in hun matchende windjacks – het liefst vlak over de grens, in België, dicht bij het Brabantse dorp waar ik als tiener opgroeide.

Net als de pandemie was de dood van mijn ouders onvoorzien en zette het mijn leven tot twee keer toe op zijn kop. Het ene moment maakte ik nog plannen, leek de toekomst vol mogelijkheden, het andere moment stond de mevrouw van de uitvaartverzekeraar in haar grijze mantelpakje op de stoep.

Ik vermoed dat de herbeleving daarvandaan kwam. De pandemie was opnieuw een bevestiging van iets wat ik eigenlijk al wist: dat het leven zich ondanks alle verwachtingen en ideeën die je erop projecteert maar nauwelijks laat regisseren.

#goodvibesonly

Na de dood van mijn ouders merkte ik al gauw dat veel mensen ongemakkelijk worden van het verdriet van anderen. We lijken van de rouwenden te verwachten dat ze hun rouw zo snel mogelijk ‘verwerken’ – alsof het afval is – om daarna weer met opgeheven hoofd deel te nemen aan het leven van alledag.

Recentelijk verscheen mijn non-fictieboek De dingen die je vergeet, waarin ik wilde onderzoeken waarom rouwen voor mij – en voor zoveel anderen – zo’n complexe aangelegenheid is. Daarvoor dook ik in mijn herinneringen, de (rouw)literatuur, de populaire cultuur en beschouwde ik de tijdsgeest.

Lees ook: En toen gingen ook alle homovrienden settelen - dat was niet de afspraak.

Kenmerkend aan de tijdsgeest van de afgelopen decennia was dat het leven boven alles léúk moest zijn – een aaneenschakeling van hoogtepunten (#goodvibesonly). Een verschijnsel dat de Vlaamse psychiater Dirk De Wachter in zijn boek De kunst van het ongelukkig zijn treffend ‘de ziekte van deze tijd’ noemt.

Daarin merkt hij ook op hoe het massaal najagen van geluk de minder gelukkigen uitsluit en soms zelfs veroordeelt. ‘Leefden ze ongezond?’ kreeg ik zelf bijvoorbeeld meerdere malen te horen, als ik bij nieuwe ontmoetingen over de plotselinge dood van mijn ouders vertelde. Dat de dood van mijn ouders gewoon botte pech was, bleek niet voor iedereen een plausibele verklaring.

Zo ging rouw soms gepaard met een gevoel van falen. Vooral toen ik een paar maanden na mijn moeders dood weer af en toe naar feestjes ging – vol met lachende, schreeuwende en dansende mensen – en me een buitenstaander voelde. In de rouw lukte het me niet om het geweldige, meeslepende en van geluk doordrenkte bestaan te leiden dat van mensen in de bloei van hun leven wordt verwacht.

Maar dat was allemaal vóór corona, toen de wereld er nog anders uitzag en je nog in de aangename illusie kon verkeren dat het leven je altijd gunstig is gezind ¬– als je tenminste het geluk had dat grote persoonlijke tegenslagen je tot dan toe bespaard waren gebleven.

Sinds een jaar dringt verlies zich vrijwel constant aan ons op, in allerlei gedaanten. Allereerst zijn er de coronadoden, wereldwijd al meer dan twee miljoen. Als we niet zelf iemand aan het virus hebben verloren, dan hebben we hoogstwaarschijnlijk wel de beelden gezien van de massagraven in New York – bestemd voor de coronadoden zonder nabestaanden – of de verhalen gelezen over de inwoners van het Italiaanse Bergamo, die dag en nacht de sirenes hoorden loeien.

Verlies van fysiek contact

En dan zijn er nog de andere verliezen, die de Britse rouwtherapeut Julia Samuel in haar boek This Too Shall Pass ‘living losses’ noemt, en die wat lastiger te definiëren zijn. Ze doelt daarmee op de verliezen die niets met de dood te maken hebben, maar die evengoed grote veranderingen in onze levens teweegbrengen.

We verloren onze dagelijkse routines, onze bewegingsvrijheid, het fysieke contact met de mensen die dichtbij ons staan. Een aanzienlijk deel van de Covid-patiënten voelt zich een half jaar na besmetting nog altijd niet als vanouds. En velen verloren hun baan, zagen soms zelfs hun hele beroep in rook op gaan – en daarmee hun gedroomde toekomstbeeld.

„2020 is voor veel mensen een jaar geworden van rouw, verlies en verdriet”, zei Mark Rutte half december vorig jaar, toen hij vanuit zijn Torentje het land toesprak en aankondigde dat het land opnieuw op slot ging.

Nu kun je een hoop aanmerken op zijn coronabeleid, maar hier had hij toch een punt. Ik ken in mijn eigen omgeving nagenoeg niemand die niet op een of andere manier negatief geraakt is door de pandemie. Natuurlijk, de een krijgt hardere klappen dan de ander. Maar zélfs iemand zo rijk en geprivilegieerd als Kim Kardashian (die in oktober vorig jaar nog een privé-eiland in de Caraïben ‘afhuurde’ om Covid-proof haar verjaardag te kunnen vieren) klaagde het afgelopen jaar in interviews over het verplichte thuisonderwijs voor haar kinderen.

Dat maakt de pandemie tot een uitzonderlijk fenomeen: niemand blijft volledig gespaard.

In een veel gedeeld interview met The Harvard Business Review stelde de bekende Amerikaanse rouwexpert David Kessler in maart 2020, toen het virus wereldwijd om zich heen greep, dat de pandemie ons in collectieve rouw had ondergedompeld. Hij doelde niet zozeer op de doden die er op dat moment te betreuren waren (nog maar een fractie van het dodenaantal nu), maar juist op al die andere, moeilijker te grijpen verliezen.

Het is belangrijk, zei Kessler, om te benoemen waar we doorheen gaan. De moderne mens heeft volgens hem de neiging om negatieve gevoelens meteen te relativeren zodra ze zich aandienen. Een reflex die hij in het interview toeschrijft aan de zelfhulpbeweging, die ons voortdurend aanspoort het beste uit onszelf te halen.

„Door ze te benoemen, komen emoties in beweging. Dat is precies wat emoties moeten doen: ze moeten bewegen”, aldus Kessler. „Het is absurd om onszelf nú niet toe te staan om verdriet te hebben.”

Wat zeurde ik nou?

De reflex die Kessler beschrijft, is voor mij heel herkenbaar. Dreigde ik mezelf het afgelopen jaar te verliezen in herinneringen aan het leven van vóór de pandemie, dan sprak ik mezelf vermanend toe. Andere mensen hadden het vele malen erger. Ik was gezond, ik had werk en ik had niemand verloren aan het virus. Wat zeurde ik nou? Ook dit ging weer voorbij.

Het duurde even voor ik doorhad dat het dezelfde reflex was die vaak in werking trad na mijn ouders dood, waardoor ik het verdriet vaker dan me lief was onderdrukte, bagatelliseerde of verzweeg. Soms voelde ik de zwaarte haast fysiek, maar gaf ik het alsnog niet de aandacht waar het om vroeg.

We krijgen dat onderdrukken van verdriet al van jongs af aan aangeleerd, stelt de Amerikaanse psychotherapeut Megan Devine in haar boek It’s OK That You’re Not OK – een boek dat mij erg heeft geholpen bij het begrijpen waar het maatschappelijke ongemak met verdriet vandaan komt.

„We leren dat verdriet iets slechts is, vergelijkbaar met jaloezie, woede of angst”, schrijft ze. „En dus zeggen we tegen onszelf en tegen anderen in de rouw al gauw dat ze sterk moeten zijn, dat ze hun blik vooruit moeten richten en er vooral niet te lang in moeten blijven hangen.”

Die ongezonde omgang met verdriet creëert volgens Devine onnodig lijden, bovenop de natuurlijke pijn die nu eenmaal bij rouw hoort. Zij stelt in haar boek een nieuwe manier van rouwen voor die zij aanduidt met ‘bearing witness’: bij de pijn van een verlies blijven, zonder het op te willen lossen of te verdoven.

Mede door het werken aan mijn boek, het bijbehorende zelfonderzoek en heel wat uren therapie, leerde ik dat verdriet niet verwerkt, maar vooral af en toe gevoeld wil worden. Precies zoals Kessler beschrijft: het moet kunnen bewegen.

Inmiddels zie ik verdriet als iets levends, als een dier dat tegen wil en dank met mij meewandelt. Als het begint te grommen, weet ik dat het mijn zorg en aandacht nodig heeft.

Toen half januari in het Verenigd Koninkrijk de honderdduizendste coronadode werd geteld, stelde The Guardian dat er alweer een volgende epidemie voor de deur stond: een epidemie van rouw. Psychologen waarschuwden voor de psychologische gevolgen van moeten rouwen in coronatijd, zonder de fysieke nabijheid van intimi. Gecompliceerde en langdurige rouw lagen volgens hen op de loer. Daar kwamen al die andere verliezen nog bij, ook dit stuk wees erop.

Nu we nog midden in de crisis zitten en de langdurige gevolgen ervan nog altijd niet goed te overzien zijn, is de grote vraag hoe we er straks bij zitten, als onze agenda’s langzaam weer vol raken en we weer schouder aan schouder op volle terrassen mogen neerstrijken. Hoogstwaarschijnlijk zal bij velen de opluchting overheersen: eindelijk, het is voorbij. We zullen feesten als nooit tevoren. De nieuwe roaring twenties zijn al aangekondigd.

Zelf koester ik de hoop ik dat er straks naast die opluchting en euforie ook een nieuw collectief besef is aangeboord: dat verdriet, rouw en verlies – in welke vorm dan ook – zich niet altijd laten afwenden, hoe graag we dat ook zouden willen. Dat we iets van ons ongemak ermee zijn kwijtgeraakt. Zodat we het de volgende keer als het zich aandient – bij onszelf of bij anderen – gewoonweg kunnen erkennen. Want uiteindelijk is dat het enige dat verdriet van ons vraagt.

Gijs van der Sanden, De dingen die je vergeet: rouwen voor beginners, Ambo|Anthos, 256 pagina’s, € 20,99