Opinie

Kom nú naar mijn kamer in het vijfsterrenhotel, zei ze ‘s nachts

Michel Krielaars

In mijn archief bevindt zich welgeteld één brief van een internationale beroemdheid. En dan is het ook nog een fax. Ik ontving hem op 14 oktober 1992 van de Italiaanse schrijfster en oorlogscorrespondent Oriana Fallaci (1929-2006), die ik een week eerder in Amsterdam had begeleid als redacteur van de uitgeverij die haar nieuwe roman Insjallah uitgaf. Die paar dagen met Oriana zal ik nooit vergeten, zo grillig en veeleisend gedroeg ze zich. Zo belde ze me een keer uit bed en moest ik middenin de nacht naar Hotel de l’Europe komen, omdat ze haar leesbril niet kon vinden – die gewoon op de grond naast haar kingsize ledikant lag. Een enkele keer droom ik nog van dat bezoek aan kamer 406 en vooral van haar bevel: ‘Get me a bottle of champagne.’

De volgende dag weigerde ze me een banaan uit de fruitmand in haar hotelkamer af te staan, toen ik bijna omviel van de honger, na haar een hele dag zonder pauze te hebben gechaperonneerd over de bloemenmarkt waar ze bij iedere stal probeerde af te dingen. Ze meende dat ik krankzinnig was geworden, want een ‘soldaat kon dagenlang zonder voedsel’.

Nog geen dag na haar vertrek naar Keulen, de volgende halte van haar tournee, kwam die fax binnen. Nu was ze allerliefst en bedankte ze mij en mijn collega Henk Rijks met veel ‘baci, baci’ voor onze slavenarbeid. Opvallend was dat ze haar boodschap in de derde persoon schreef, zo van ‘Oriana cries for the sorrow of having abandoned her team. Germany has no tulips.’

Dankzij de onlangs vertaalde memoir Kun je me ooit vergeven van de New Yorkse schrijfster Lee Israel, besef ik ineens dat ik goud in handen heb met die fax.

Toen Israel door haar drankzucht aan lager wal was geraakt, begon ze brieven van overleden beroemdheden na te maken om die voor veel geld te verkopen. Zogenaamd had ze die brieven van een rijke overleden neef geërfd. Ze was zo’n goede vervalser, omdat ze als biograaf veel brieven van beroemdheden had bestudeerd en wist wat zich in hun hoofden afspeelde. Ook bezat ze een groot aantal verschillende typemachines om te kunnen variëren en verzamelde ze papier uit de hotels waar ‘haar’ afzenders woonden.

Israel was vooral goed in het imiteren van de humoristische stijl van Dorothy Parker. Zo verzon ze: ‘Gertrude Stein had gelijk wat rozen betreft, maar van Californië heeft ze geen benul’. En dan genoot ze van het fabriceren van brieven van Edna Ferber, behalve een van de populairste schrijfsters van haar tijd ook een zelfingenomen snob: ‘Ik begrijp dat je het boek niet mooi vond. Dat is je goed recht, liefje. Ik wel. Sterker nog, ik vind zo’n beetje alles wat ik geschreven heb mooi.’

Een hoogtepunt is de (nep)brief van de voormalige actrice Louise Brooks, die na haar stomme-filmcarrière een scherpzinnige essayiste en critica werd. In een brief aan Dorothy Parker hekelt ze de Hollywood-praktijken van Joe Kennedy, die zijn zoons Jack (de president) en Robert die stad had ‘overhandigd als hun goedgevulde privébordeel’ met als hoofdprijs Marilyn Monroe. Brooks (Israel dus) schrijft: ‘Ik haat de Kennedy’s. Ze waren eropuit alle beauty’s in Babylon te naaien, en het waren hun nonchalance en wreedheid – hun bijgebracht door een vader met verdorven, beestachtige instincten – die uiteindelijk een fijngevoelige en fatsoenlijke vrouw vermorzelden.’

Sindsdien weet ik wat ik moet doen als ik in financiële nood raak. Ik heb dan wel briefpapier van Hotel de l’Europe nodig. Het kamernummer weet ik al.