Recensie

Recensie Boeken

Jonge vrouwen verkopen zich aan duistere oligarchen in de hoop op een beter leven

Maxim Osipov In het Rusland van Vladimir Poetin is iedereen bezig met overleven en niet met leven. En toch lees je in dit boek (●●●●●) een liefdesverklaring aan een onmogelijk land.
Een ambulance op weg naar een patiënt in de Russische provincie. Foto Dmitri Feoktistov/TASS/Getty Images

Een ambulance op weg naar een patiënt in de Russische provincie.

Foto Dmitri Feoktistov/TASS/Getty Images

In het mortuarium van het ziekenhuis van het provinciestadje N. lagen begin deze eeuw zeven geamputeerde benen. Men kon er geen kant mee op. Om de eenvoudige reden dat de autoriteiten het ineens verboden hadden om geamputeerde ledematen te verbranden, zoals gebruikelijk was. De ziekenhuisstaf verzon een list: de benen werden mee begraven in de kist van een dakloze, naar wie niemand omkeek.

Deze anekdote is waar gebeurd en staat in het essay In mijn geboorteland, dat de Russische arts Maxim Osipov in 2007 in het literaire tijdschrift Znamja (Het vaandel) publiceerde. Het is een ontluisterend verslag van zijn belevenissen in het ziekenhuis van het provinciestadje Taroesa. Alles is er kapot, ratten trippelen door de gangen, de zalen ruiken naar pis, moderne medische apparatuur ontbreekt. De lokale bestuurders doen niets om de situatie te verbeteren, zoals ze ook de misdaad, de werkloosheid en het alcoholisme niet aanpakken of de infrastructuur verbeteren.

Osipovs essay doet denken aan het uit 1892 daterende ‘Zaal 6’ van Anton Tsjechov, een andere schrijvende arts. Net als in dat verhaal, valt ook in Osipovs non-fictie op dat de erbarmelijke toestanden de patiënten niets kunnen schelen, al wil niemand dood. Eenzelfde onverschilligheid geldt voor de corrupte ziekenhuisstaf, die het nooit zal wagen om zich te beklagen bij de nog corruptere autoriteiten. Je weet maar nooit hoe het dan met je afloopt.

Ook schrijft Osipov dat hij zowel bij de zieken als bij veel artsen zag dat ze weliswaar bang waren voor de dood, maar toch niet van het leven hielden. Tegelijkertijd wantrouwden ze de moderne tijd en wilden ze dat alles bij het oude bleef. ‘Er is hier geen sprake van leven, maar van overleven’, merkt hij op.

Voor Maxim Osipov (Moskou, 1963) is de situatie in Taroesa pars pro toto voor het Rusland van nu. En hij heeft recht van spreken. Twee dagen per week werkt hij er als cardioloog in het lokale ziekenhuis. In het begin nam hij ook nog eens zijn eigen ECG-apparaat mee en deelde hij medicijnen uit die hij in het buitenland had gekocht, omdat ze in Rusland niet verkrijgbaar waren.

Schnabbel

Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 werkte de in San Francisco als cardioloog opgeleide Osipov in een Moskous ziekenhuis. Hij verdiende er zo weinig dat hij als schnabbel zieke Russische emigranten naar de Verenigde Staten begeleidde. Per vlucht leverde dat hem een paar honderd dollar op. De weerslag van die avonturen verwerkte hij in het verhaal ‘De Zigeunerin’.

In dezelfde tijd beproefde hij zijn geluk als businessman, zoals veel goed opgeleide Russen deden en begon hij een uitgeverij gespecialiseerd in het vertalen van medische handboeken. Het werd zo’n succes dat hij in 1994 de stethoscoop aan de wilgen hing. Maar na tien jaar begon er iets aan hem te knagen: hij miste het artsenbestaan en wilde schrijven.

Die beide ambities kwamen in 2005 samen in Taroesa, waar hij een datsja had. Anders dan in het dynamische Moskou was de tijd er stil blijven staan en overheersten de mores van de Sovjet-Unie. Voor een schrijver als Osipov was zijn verblijf in het stadje een goudmijn, zo blijkt uit de dertien door Yolanda Bloemen en Seijo Epema voortreffelijk vertaalde verhalen in de bundel De wereld is niet stuk te krijgen. Osipov is Tsjechov in een door zwerfhonden en motten aangevreten jas. In zijn verhalen kom je dezelfde komische wanhoop van zijn personages tegen, die passief een onderdrukkend systeem ondergaan. Ook bij hem getuigen ze van liefde en haat voor een onmogelijk land.

Lees ook: Een schokkend boek over de weggesluisde miljarden van Poetin en zijn vrienden

Die liefde blijkt uit het autobiografische openingsverhaal ‘De roep van een tamme vogel’, waarvan de eerste zin luidt: ‘De provincie is als een warm en niet al te schoon huis dat toevallig wel je eigen huis is.’ Osipov schetst hierin de alledaagse chaos in zijn ziekenhuis en vermengt dit met herinneringen aan zijn jeugd in Taroesa. En dan lees je: ‘Moskou gelooft niet in tranen, zeggen ze, maar bij ons is dat het enige waar we in geloven.’ Voor ergernissen is alleen ’s avonds plaats: ‘Bijvoorbeeld: waar zijn alle mensen met een goed verstand gebleven? In onze jeugd waren die er genoeg, ze zijn zeker geëmigreerd.’ Het is de werkelijkheid van het land van Poetin, waar jaarlijks honderdduizenden hoogopgeleide Russen naar het Westen vertrekken.

Afgeslacht

Een typerend verhaal voor Osipovs manier van vertellen is ‘Moskou-Petrozavodsk’. Een Moskouse arts reist per nachttrein naar een congres. In zijn coupé zitten ook twee lawaaiige mannen. Als een van hen een delirium tremens van het zuipen krijgt, loopt alles uit de hand. De politie komt en tuigt de twee genadeloos af. Nadat de twee zijn afgevoerd maakt de arts uit hun bagage op dat ze zwarthandelaren zijn. Waarschijnlijk is de politie door hun concurrenten ingehuurd om hen uit te schakelen. Hij beklaagt zich nu bij de lokale FSB en wordt daar ontvangen door een 70-jarige kolonel in T-shirt en trainingsbroek, Sjlomo Schatz genaamd. Zodra de kolonel ontdekt dat zijn bezoeker net als hij Joods is, wordt hij vertrouwelijk. Ze krijgen het over gerechtigheid en de slechtheid van de mens. In de Sovjet-Unie, zo vertelt de kolonel, drukte een partijbons net genoeg geld achterover om dagelijks een fles cognac te kunnen kopen en om acht uur ’s ochtends al bezopen te zijn. Maar nu steelt een directeur van een lokale overheidsinstelling dertien miljoen dollar. Tel uit je winst.

Van de kolonel hoort de arts ook dat zijn mishandelde reisgenoten in werkelijkheid roofmoordenaars zijn, die een vader en zijn minderjarige dochter hebben afgeslacht. Vervolgens begint de kolonel over zijn eigen vader, die in de oorlog in een Duits krijgsgevangenenkamp zat. Opnieuw gaat het over geweld, dat van alle tijden en partijen is. Na afloop van zijn relaas zakt de kolonel terug in zijn dagelijkse lethargie, waarmee Osipov laat zien dat het allemaal niets uitmaakt wat je ertegen doet, omdat de mensheid nu eenmaal verloren is.

Veelzeggend is ook het verhaal ‘Een renaissanceman’. Hoofdpersoon is een jonge rijke zakenman, die zijn fortuin op een duistere manier heeft vergaard. Hij komt uit de goot, maar wil zich voordoen als een gecultiveerd mens. Daarom heeft hij zowel een historicus als een muziekleraar ingehuurd om hem beschaving bij te brengen. De een behandelt de Bijbelse geschiedenis met hem, de ander leert hem pianospelen, al is hij nog niet verder gekomen dan de Vlooienmars. Beide huisleraren vertegenwoordigen de oude Sovjet-intelligentsia, voor wie in het genadeloze nieuwe Rusland geen plaats is. Vooral de historicus, een straatarme vijftiger met een bril die met een pleister bijeen wordt gehouden, is iemand om medelijden mee te hebben.

‘Nou, Lora?’ roept de brunette als hij binnenkomt. ‘Heb ik geen geschikte oligarch voor je opgeduikeld?’

De zakenman, die in navolging van tsaar Nicolaas II met een geweer vanuit het raam van zijn luxe-appartement kraaien van de daken schiet, verveelt zich dood. Nieuwe energie vindt hij als hij door een jonge brunette het conservatorium tegenover zijn huis wordt binnengelokt. Haar vriendin Lora, een zangeres, geeft daar een concert. Het is het eerste in zijn leven. Na afloop rent hij naar huis, pakt een vaas met het eronder liggende Hermèskleedje, vult die met bloemen en snelt naar de artiestenfoyer. ‘Nou, Lora?’ roept de brunette als hij binnenkomt. ‘Heb ik geen geschikte oligarch voor je opgeduikeld?’

Natuurlijk wil de zangeres hem, vanwege zijn geld. Haar echte liefde bewaart ze voor haar pianist. Maar ja, die is arm en getrouwd. En zij wil een kind, het liefst van een rijke man.

Overleven in de stadsjungle

Het leidt tot een desillusie, die de rijke zakenman met zijn afkomst confronteert als hij in de buurt van zijn datsja een straatarm jongetje van elf ontmoet. Hij wil het kind adopteren om het samen met Lora op te voeden. Maar dan moet wel eerst de drinkende vader van het ventje verdwijnen.

Wanneer Lora ook dan niets meer van zich laat horen, kunnen zelfs de kraaien hem niet meer tot bedaren brengen. Het geweer biedt, net als bij Tsjechov, uitkomst.

In dit verhaal zit alles van het moderne leven in Moskou vervat. De nieuwe rijken die op geld jagen, iedereen omkopen of uit de weg ruimen en zich beschaving aanmeten, de jonge vrouwen die zich aan hen verkopen in de hoop op een beter leven, en de Sovjet-intelligentsia die zich moet vernederen om in de grootstedelijke jungle te overleven.

Diezelfde tweespalt tussen het oude en het nieuwe Rusland lees je in ‘Steen, papier, schaar’. In een provinciestadje is de 57-jarige Ksenia, de voormalige loco-burgemeester en tegenwoordig eigenares van een restaurant en een autoshop, nog altijd de baas. Ze is keihard, maar ook ongelukkig. Haar dochter Vera, die uit liefde voor haar favoriete leraar en tegen de wil van haar moeder letteren in Sint-Petersburg is gaan studeren, heeft daar zelfmoord gepleegd. Die leraar, een modern denkend man van veertig, schrijft – in een raamvertelling – over de misstanden in zijn stadje. Als Ksenia, wier mentaliteit in de Sovjet-Unie is gekneed, zijn tekst in handen krijgt, ziet ze in dit ‘intellectueeltje’ nog meer de verstoorder van haar leven.

Diep triest

Aan de hand van deze boze vrouw vat Osipov de mentaliteit van de laatste Sovjet-generatie treffend samen: ‘Onder het communisme deed Ksenia haar plicht op de grens van geloof en ongeloof, net als iedereen. Ze had haar land, haar dochter. Mensen hadden idealen en ontzag. Met het verdwijnen van het communisme viel het land uiteen en kwam er een ander referentiekader, dat had ze drommels goed door. Ze liet zichzelf en haar dochter dopen, ze hielp bij de bouw van de kerk. ‘‘Aan hun vruchten zult gij hen kennen.” En wat gebeurt er? Hun dochter overlijdt. Weg dochter, weg land. Wat een beloning. Onbegrijpelijk.’ En zo denken vele oudere Russen erover.

Lees ook: Waarom de meeste Russen zo passief zijn

In de Sovjet-Unie was Ksenia getrouwd met de partijleider van het stadje. Maar na de val van de communistische heilstaat heeft ze hem uit opportunisme aan de kant gezet, waarna hij ging drinken en ziek werd. Ze legde het aan met de nieuwe burgemeester, die ze zelf had uitgekozen om haar stad te leiden, en met de corrupte, schatrijke rechter. En ook nu windt ze haar ex-minnaars om haar vinger. Met behulp van die rechter wil ze zelfs de leraar uit zijn huis laten zetten, om op zijn stuk grond een kapel te bouwen. Als ze hem vertelt dat de leraar met zijn kritische geschrift de lokale bestuurders in gevaar kan brengen, krijgt ze haar zin. En dan neemt ook dit verhaal een verrassende wending.

Het is Tsjechov in de 21ste eeuw, alleen is de mens nog slechter geworden. Wel maakt Osipov je regelmatig aan het lachen, wat ook komt door zijn vermakelijke verwijzingen naar bekende Russische schrijvers, dichters en Sovjet-speelfilms. Zelfs voetbalcoach Guus Hiddink komt in een flits voorbij.

Maar ook al wil je van dat Rusland houden, toch is alles in wezen diep triest en hopeloos. Niet voor niets schrijft Osipov in zijn essay: ‘In Rusland verandert in vijf jaar veel, maar in tweehonderd jaar niets.’