Recensie

Recensie Boeken

Hij smokkelt Joodse vluchtelingen over de grens, verstopt in bijenkasten

Norbert Scheuer De fictieve vondst van een dagboek in een bijenkast leidt tot liefde en veel kennis over bijen en tot smokkel van Joodse vluchtelingen.

Een bijenhuis in de winter. Foto Getty Images/iStockphoto

Een bijenhuis in de winter.

Foto Getty Images/iStockphoto

Als het waar is dat díe romans bestaansrecht hebben die bij de lezer de onweerstaanbare aandrang oproepen in de voetsporen van de hoofdpersoon te treden, heeft de Duitse auteur Norbert Scheuer (1951) zijn werk goed gedaan, want sinds ik Winterbijen heb gelezen heb ik de aspiratie imker te worden.

In zijn dankwoord beschrijft Scheuer de ontstaansgeschiedenis van de roman. Op een dag heeft een heer op leeftijd in Kall – in de Eifel, waar de schrijver woont – hem een dagboek overhandigd, dat hij bij het opruimen van een schuur in een oude bijenkast heeft gevonden. Dit dagboek, in 1944 geschreven door ene Egidius Arimond, vormt het voornaamste bestanddeel van Winterbijen. We zouden wel gek zijn dit dankwoord te geloven, temeer omdat Egidius zelf ook weer een manuscript vindt, losse perkamenten met notities van zijn voorvader Ambrosius, een monnik uit de vijftiende eeuw. Nee, we mogen gerust aannemen dat Scheuer dit verhaal uit zijn duim heeft gezogen. En dat heeft hij knap gedaan.

Epilepsie

Egidius Arimond was docent Latijn op het plaatselijk gymnasium totdat hij werd ontslagen vanwege zijn epilepsie. Omdat hij niet voor militaire dienst kan worden opgeroepen, is hij voor het nationaal-socialisme een overtollig mens; dat hij wel werd gesteriliseerd, maar niet omgebracht, dankt hij aan het feit dat zijn broer een oorlogsheld is. Zijn broer voorziet hem ook van medicijnrecepten. Medicijnen worden steeds schaarser in de nadagen van het Derde Rijk (bijna dagelijks komen geallieerde bommenwerpers over) en om ze te bekostigen is bijen houden niet genoeg. Egidius heeft een gevaarlijke inkomstenbron gevonden: hij smokkelt Joodse vluchtelingen over de Belgische grens. Hij verstopt ze in omgebouwde bijenkasten, nadat hij met krulspelden koninginnen op hun kleding heeft bevestigd, en als hij met zijn kar onderweg wordt aangehouden, laten de soldaten het wel uit hun hoofd de gonzende bijenzwerm, die de vluchteling omhuld heeft, te verstoren. Alsof deze praktijk nog niet riskant genoeg is, heeft Egidius ook nog liefdesaffaires, onder andere met de vrouw van een hooggeplaatste nazi.

In zijn dagboek ruimt Egidius veel ruimte in voor observaties over zijn geliefde bijen; de informatie die dat oplevert, was voor mij de meerwaarde van dit boek. Zo blijken ‘winterbijen’ de bijen die na de zomer worden geboren met als taak de temperatuur in ‘de bijenstaat’ rond de twintig graden te houden, wat ze bereiken door ‘hun vliegspieren [...] voortdurend te laten vibreren’. Na de wintermaanden ‘is hun hele levenskracht opgebruikt; afgebeuld door het werk voor hun volk zijn hun lijfjes heel kaal geworden, hun vleugels versleten en gehavend.’ Daarna worden ze door een nieuwe generatie bijen gedecideerd buiten de kast gezet, waar ze ten prooi vallen aan de vogels.

Als je deze entomologische waarnemingen interpreteert in het licht van het nationaal-socialisme, levert dat een dubbelzinnige uitkomst op. Het bijenvolk wordt gekenmerkt door discipline en hiërarchie; daar staat tegenover dat bijen vredelievend zijn zolang ze niet worden aangevallen.

Imkers kijken goed naar de natuur en de seizoenen, en dit boek bevat prachtige beschrijvingen van de Eifel, met name tijdens de winter. Het grootste minpunt is dat Scheuer met de verhaallijnen van de vluchtelingensmokkel en de geheime affaires verwachtingen creëert die hij niet inlost, want erg spannend wordt het niet. Het einde is dan wel weer daverend. Winterbijen is een onderhoudende roman over een sympathiek personage, boordevol thema’s en motieven. Het heeft tekortkomingen, maar ik zal het gelukzalig zoemen dat eruit opstijgt niet snel vergeten.