Brieven

Rapport Joustra

Niet alle adoptiekinderen zijn slachtoffer van bedrog

Foto Jerry Redfern/LightRocket/ Getty

Onthutst las ik de artikelen en het Commentaar (Bij interlandelijke adoptie faalden alle toezicht en controle, 11/2) over het rapport van de commissie-Joustra over interlandelijke adoptie. Door de eenzijdig negatieve conclusies zou je als geadopteerde welhaast gaan twijfelen aan de legitimiteit van je bestaan in Nederland. Alsof je met terugwerkende kracht hier toch eigenlijk niet had mogen zijn. Alsof alle geadopteerde kinderen via misleiding, leugen, bedrog en vervalsingen naar Nederland zijn ‘weggesluisd’. Hoewel het leven als geadopteerde altijd overschaduwd zal blijven door vragen omtrent identiteit en biologische afkomst, is er toch vooral dankbaarheid voor een menswaardig bestaan in een vrij, welvarend Nederland en ontsnapt te zijn aan maatschappelijke uitsluiting, armoede of oorlog. Het lijkt of dit geluid in dit debat niet vertolkt mag worden. Overigens werden veel kinderen te vondeling gelegd of werd bewust afstand gedaan van het kind uit armoede of vanwege buitenechtelijke geboorte. Mijn Urker ouders hebben me na mijn indringende vragen verteld dat ik vlak na mijn geboorte te vondeling ben gelegd op de stoep van een weeshuis in Isfahan (toenmalig Perzië). Je mist de bodem onder je bestaan, maar daar hebben mijn Nederlandse ouders geen schuld aan. Door alles op één negatieve hoop te gooien, voel ik mij als adoptiekind weggezet en wordt aan hun oprechte motieven en zorg groot onrecht gedaan. Mijn biologische ouders hadden me ook afgestaan als mijn adoptieouders mij niet hadden geadopteerd.

Amsterdam