Recensie

Recensie Film

De vele pruiken van Mike Nichols

Biografie Iedereen kende regisseur Mike Nichols op Broadway en in Hollywood, en Nichols kende iedereen. In de nieuwe biografie over zijn leven is het smullen van de onthullingen, maar ook de psychoanalyse van schrijver Mark Harris snijdt hout.

Mike Nichols met zijn comedypartner Elaine May, in 1961.
Mike Nichols met zijn comedypartner Elaine May, in 1961. Foto Ed Feingersh/Getty Images

Regisseur Mike Nichols (1931-2014) was haarloos. Als kind in Berlijn verloor hij zijn bruine krullen dankzij een allergische reactie op een kinkhoestmedicijn. Hij kreeg nooit meer lichaamshaar, droeg zijn hele leven pruiken en opplakwenkbrauwen.

In Mark Harris’ sterke biografie Mike Nichols: A Life wordt haarloosheid een soort stiekem leidmotief, een sleutel tot begrip van deze titaan van Broadway en Hollywood. Want een titaan was Mike Nichols. Als regisseur van hitmusicals en komedies, maar ook van Tsjechov en Beckett, won hij op de bühne veertien Tony’s: Barefoot in the Park (1964), hitmusical Annie, Monty Python’s Spamalot (2005). Televisiewerk bezorgde hem vier Emmy’s, onder meer voor de prachtige miniserie over de aidsepidemie, Angels in America (2004).

Hollywood beloonde zijn filmdebuut Who’s Afraid of Virginia Woolf (1966) met vijf Oscars en dertien nominaties; zijn tweede film, The Graduate, groeide in 1967 uit tot dé generatiefilm van de babyboomers en lanceerde de onbekende Dustin Hoffman als Benjamin Braddock, zoon van de buitenwijk die zijn onrust uitdrijft in een affaire met ‘desperate housewife’ Mrs. Robinson.

Champagnesocialist

In zijn hoogtijdagen was Nichols het prototype van de New Yorkse champagnesocialist waarmee Vanity Fair zijn kolommen graag vult. Iedereen kende Mike, Mike kende iedereen: een ironische, verfijnde, soms venijnige allemansvriend die van dinertafel naar receptie kwikzilverde. Een steenrijk verzamelaar van moderne kunst en Arabische paarden ook, die na drie huwelijken in 1988 rust vond bij tv-persoonlijkheid Diane Sawyer. De biografie laat in het midden of Nichols – die in zijn werk al heel vroeg homoseksuele issues aansneed – ook een discrete seksuele relatie had met zijn mentor en boezemvriend, fotograaf Richard Avedon.

De makke van dit soort film- en theaterbiografieën: ben je zo productief als Mike Nichols, ontaardt dat gaandeweg in een tredmolen van projecten: script, geldschieters, casting, opnames, montage, ontvangst. Daar ontsnapt Mike Nichols: A Life niet geheel aan, al maakt de dichtheid aan anekdotes, roddel en onthullingen van sterren als Meryl Streep en Jack Nicholson veel goed. (Melanie Griffiths cokeverslaving torpedeerde in 1986 bijna Working Girl! Meryl Streep verloor de hoofdrol in The Remains of the Day aan Emma Thompson omdat Nichols dacht dat ze te dik werd na haar vierde baby!)

De psychoanalyse waaraan Harris zijn subject onderwerpt, overtuigt zonder parmantig te worden. Pruiken dus. Kaalheid maakte Mike Nichols – geboren als Michael Igor Pestsjkovski – in eigen woorden op het schoolplein tot een „absolute nul” die zich miserabel onzichtbaar maakte. Als zevenjarige zoon van een seculier joods echtpaar uit Berlijn maakte hij in april 1938 samen met zijn kleine broertje de oversteek op de SS Bremen; pa had een dokterspraktijk geopend, moeder volgde later. Zijn geestige, opvliegende vader stierf in 1944 aan leukemie, aan zijn beeldschone, maar ziekelijke, depressieve en claimende moeder moest hij zich ontworstelen. Een telefoontje van haar – „Hello Michael. This is your mother speaking. Do you remember me?” – inspireerde Nichols tot een van zijn beroemdste sketches.

Hij brak door als komiek. Voor ‘baldy’ met zijn malle Duitse accent kwam het zelfvertrouwen toen hij als dertienjarige zijn eerste, blonde pruik aanschafte, al hing er rond hem altijd de geur van aceton waarmee hij ’s avond de pruiklijm oploste. En al werden de pruiken steeds beter – zeker nadat Elizabeth Taylor haar eigen kapper aan het werk had gezet – wat bleef was de verplichting elke ochtend uitgebreid toilet te maken voor de spiegel.

Het hyperintelligente, kale jochie dat zijn klasgenootjes en zichzelf observeert om erbij te kunnen horen, ontwikkelde met zijn pruik ook een personage: de ironische, hyperculturele en geborneerde observator van menselijke dwaasheid wiens messcherpe tong alom werd gevreesd. Toch had Nichols veel vrienden: de truc was iedereen te betrekken bij zijn samenzwering tegen de rest van de mensheid.

Een halfhartige studie medicijnen in Chicago – in de rij voor de inschrijving sloot hij een levenslange vriendschap met een spraakzame zestienjarige, Susan Sontag – verruilde Nichols voor een bestaan als disk jockey en acteur in een experimentele improvisatiegroep. Daar ontmoette hij zijn ‘soul mate’ Elaine May, zo mogelijk nog scherper dan hij, met wie Nichols na twee jaar studie in ‘The Method’ bij goeroe Lee Strassberg in de hoop een serieus acteur te worden, een komisch duo vormde dat in 1956 verbluffend snel de clubscene van New York en via de beeldbuis ook Amerika veroverde. De humor van Nichols & May was nieuw, urbaan, verfrissend: geen witzen of punchlines, maar droogkomische, soms ongemakkelijke sketches die de absurditeit van ‘normaal gedrag’ exploreerden, of satire van ‘high culture’, of improvisaties die soms gevaarlijk echt leken te worden.

Acteursregisseur

Toen begin jaren zestig de fut eruit raakte, verkoos Nichols regie boven acteren. Een vaderlijke, afstandelijke rol beviel hem beter dan zich blootgeven als acteur, speculeert zijn biografie – en door zijn ervaring op de planken en voor de camera bleek hij de ideale acteursregisseur die wel raad wist met groepsdynamiek, geblokkeerde en zelfvoldane acteurs. Zo groeide hij in de jaren zestig uit tot een grootheid op Broadway, aanvankelijk met lichte, urbane zedenkomedies van Neil Simon. En kreeg hij in 1966 met het in drank gemarineerde gooi-en-smijtwerk van Who’s Afraid of Virginia Woolf Hollywood aan zijn voeten.

Zeperds waren er ook. Voor Catch 22 liet Nichols een compleet vliegveld nabouwen in Mexico, maar financieel liepen de zaken uit de hand terwijl deze logge, zwaarmoedige film geen grip kreeg op de absurdistische lichtheid van Joseph Hellers anti-oorlogsroman; niet Catch 22, maar het vileine, anarchistische M*A*S*H werd in 1970 dé metaforische anti-Vietnamfilm waarop Amerika wachtte.

Nichols voelde zich al een has-been toen hij begin jaren zeventig onder de voet werd gelopen door het ‘nieuwe Hollywood’ van Scorsese, Coppola, Spielberg en Robert Altman, de regisseur die Nichols het meest benijdde. Hij revancheerde zich in 1972 met de schandaalhit Carnal Knowledge, een miserabele blik op mannelijke seksualiteit die je gezien moest hebben om erop af te geven. Maar daarna zakte hij diep weg met het bespottelijke dolfijnenspektakel Day of the Dolphin (1973) en een toondove, futloze komedie met Warren Beatty en Jack Nicholson, The Fortune (1975).

Toen zijn film Bogart Slept Here halverwege de opnames werd gestaakt, leek het voorbij met Nichols. Hoofdrolspeler Robert De Niro zat vers van de set van Taxi Driver muurvast in zijn manisch intense Travis Bickle-routine, wat nogal detoneerde met deze lichte komedie. Cocaïne tastte Nichols’ scherpte aan; begin jaren tachtig volgde crack en ontwenning, in 1986 – nadat de filmpers zijn relatiedrama Heartburn had gekraakt – een psychotische episode door slaapmiddel halcion.

Broadway hielp Nichols telkens weer overeind als Hollywood hem liet vallen: een succes daar maakte de geesten dan weer rijp voor een comeback. Zoals in 1983 Silkwood, waarin Meryl Streep als radioactief vergiftigde arbeider schitterde in de voor Nichols opvallend losjes gefilmde, volkse film; zijn filmmilieu was doorgaans welgesteld, geraffineerd en urbaan.

Nichols maakte soms middelmaat – denk aan zijn midlife-weerwolvenspektakel Wolf in 1994, of de geflopte Gary Shandlingkomedie What Planet Are You From? (2000). Zijn probleem, suggereert Mike Nichols: A Life, was eigenlijk dat hij zelf de lat zo vroeg zo hoog had gelegd. De filmkritiek beoordeelde redelijk geslaagde, maar pretentieloze films al snel als beneden zijn niveau: de warme legerkampfilm Biloxi Blues of Wall Street-romkom Working Girl . De filmkritiek wilde de „diep snijdende anatoom van menselijke relaties” zien die „bijna als een aanklager” ijdelheid en pretenties doorprikt.

Maar in die rol was Nichols ook op zijn best, ook in zijn nadagen. Denk aan het valse Primary Colors (1998) over de Clintons, geflopt omdat de film door de Lewinsky-affaire leek ingehaald. Of zijn cynische kamerspel over de liefde Closer (2004), of zijn miniserie Angels in America, waar Donald Trumps aan aids stervende, door iedereen verlaten leermeester Roy Cohn zijn zonden overdenkt. Het was ook een lastig evenwicht, zei zijn komische partner Elaine May in 2003. Mike Nichols wilde het hebben over relevante dingen die impact hebben, „maar deed dat vervolgens zo vermakelijk en opwindend dat het net zo leuk was als rotzooi”. Wanneer dat lukte, was het ook grandioos.