Opinie

De ontgoocheling dat taal soms alleen maar taal is

Marjoleine de Vos

De sneeuw was wel wat teleurstellend dacht ik vorige week, uit het raam kijkend. De grassprietjes staken er gewoon doorheen. Beetje rommelig. Maar als ik het nu eens anders zei en zag, als ik eens zei dat alles zacht bepoederd was hier buiten? Je moet een beetje met jezelf weten te praten, de juiste beeldspraak kiezen.

En daar dan niet aan gaan twijfelen. In Veldwerk, de tweede bundel van Bernke Klein Zandvoort las ik „soms ben ik bang dat metaforen de werkelijkheid verdunnen”, precies het omgekeerde dus van wat ik aan het doen was, ik probeerde de werkelijkheid juist wat aanweziger te maken met mijn beeldspraak van poeder. Erger nog, schrijft Klein Zandvoort, „banger ben ik dat er niets anders bestaat/ dan dezelfde dingen uitgedrukt in elkaar”. Sneeuw is als poeder en poeder beschrijven we als sneeuw.

Hm ja. Bedoelt ze dat metaforen de werkelijkheid helemaal niet veranderen, dat we alleen maar een beetje babbelen? Misschien wel. Net zo’n soort angst kwam ik tegen bij Lieke Marsman in haar In mijn mand, de veronderstelling dat het ongrijpbare sublieme alleen maar zo ongrijpbaar is omdat het niet bestaat. „Wat als er tussen de regels door/ alleen een peilloze leegte ligt, een stilte/ waarin ik probeerde een gedachte te formuleren”.

Het is minder erg als het sublieme niet ‘echt’ zou bestaan, want dat bestaat toch al nergens behalve in taal. En nu gaan we niet meteen zeggen dat alles alleen maar in taal bestaat, ga dat maar eens vertellen aan de daklozen, aan wie pijn heeft of honger, aan de haas die op het ijs van de sloot sprong.

Maar evenzogoed lijkt het meteen of de bodem onder de taal, en bij uitbreiding onder je bestaanswijze, wordt uitgehaald door te zeggen dat ze géén verband heeft met de werkelijkheid, dingen zegt die niet bestaan, de dingen overlaadt met betekenis. Marsman verzet zich tegen ‘hermeneutische tekstverklaring’ en critici die van alles menen te moeten vinden van en in haar gedichten, ook juist als die iets heel eenvoudigs en ‘werkelijks’ beweren.

Het is misschien eerder hunkering naar het ‘echte’, naar een waarheid ónder alles, die deze dichters bezielt, een waarheid waar ze niet in kunnen of willen geloven. Dat is de ontgoocheling van de taal, dat-ie soms alleen maar taal is. Waardeloos. Je moet erin blijven geloven, zoals zo’n tekenfilmfiguurtje dat doorrent boven de afgrond tot het naar beneden kijkt en ziet dat de grond verdwenen is.

Dat gevoel vertolken dichters wel vaker, Marsman zeker in haar laatste bundel. Als de zekerheid van een toekomst te hebben is weggevallen, draaien de rennende beentjes in het luchtledige. En tegelijkertijd, schrijft ze, geeft die mogelijke nabije eindigheid, „de betovering van de dood” een intensivering van alles „waarin ieder gebaar of geluid betekenis heeft”. Ja zo is het, de grijzige niksigheid van een middag die een van de vele middagen is, verdwijnt direct als dit de middag van het afscheid zou zijn, de laatste middag dat ik over die te dunne sneeuw zou uitkijken en mezelf wijs probeer te maken dat dat juist mooi is. Niet teleurstellend. Daar hoef je nog niet eens, zoals Marsman helaas wel, voor te vrezen dat je dood gaat – de laatste ochtend dat ik door de tuin van mijn vorige huis liep, dat gevoel van dáár te zijn, ik verlangde er intens naar terwijl ik er liep.

Ik geloof niet dat daar veel metaforen bij kwamen kijken, alles was alleen maar heel hevig aanwezig en ik ook. En dat is precies denk ik wat deze dichters bedoelen. Dat er, om met Rutger Kopland te spreken „eindelijk eens geen woord poëzie uitkomt”.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.