Leidse student ontdekt oudste literaire vrouwengenootschap in Nederland

Literatuurwetenschap Jonkvrouwe Anna van der Aar de Sterke richtte in 1782 in Delft een vrouwelijk dichtgenootschap op. De Leidse student Evi Dijcks ontdekte het genootschap in de universiteitsbibliotheek van Leiden.

Portret van Anna van der Aar de Sterke, door Pierre Frédéric de la Croix (1776)
Portret van Anna van der Aar de Sterke, door Pierre Frédéric de la Croix (1776)

In de universiteitsbibliotheek van Leiden is een vrouwelijk dichtgenootschap ontdekt dat in 1782 in Delft werd opgericht. Het is daarmee vermoedelijk het oudste vrouwelijke dichtgenootschap in de Nederlandse letterkunde.

Dichten in verenigingsverband was eeuwenlang een mannelijke aangelegenheid en bleef dat ook tot ver in de negentiende eeuw. Het ontdekte genootschap is daarop een vroege uitzondering.

De ontdekking werd gedaan door Evi Dijcks, derdejaarsstudent Nederlands in Leiden. Zij wilde een scriptie schrijven over de gedichten van Anna van der Aar de Sterke (1755 - 1831) en bekeek twee manuscripten van haar. „Ik was haar naam ergens tegengekomen en merkte dat er nauwelijks over haar geschreven is. In de universiteitsbibliotheek liggen al haar gedichten. Daarin kwam ik de naam van een genootschap tegen: Die Erg Denkt Vaart Erg In ’T Hart. En wat me meteen opviel: ze gebruikt allerlei vrouwelijke aanspreekvormen, zoals „Vriendinnen!”. Vervolgens vond ik allerlei andere verwijzingen naar een genootschap van vrouwen.”

Hartvriendinne!

Van de 180 gedichten die in deze manuscripten bewaard zijn gebleven waren er 26 voor het genootschap geschreven. Zoals een gedicht dat zo begint: „Wat genoegen, hartvriendinne! heden is het reeds twee jaar, / Dat we in ongestoorde vriendschap weeklyks komen bij elkaar, / Ik kan meenigmaal verlangen na [= naar] die blyde zaterdag / Wyl men met vermaak en stichting leerzaam boerte paren mag.” Het laatste vers betekent: als we vermaak en leerzame, stichtende zaken met gekkigheid mogen afwisselen.

Aan de hand van wat er in deze gedichten over het genootschap gezegd wordt, laat zich reconstrueren dat het gezelschap bestond uit minstens 14 vrouwen, en dat de leden iedere week op zaterdag bijeenkwamen, telkens bij een van hen thuis.

De gedichten die ze schreven waren geen grote literatuur. Het is vooral maatschappelijk interessant wat hier gebeurt. Dijcks: „Anna van der Aar is als dichter net zo gemiddeld als de meeste mannelijke leden van de genootschappen in haar tijd. Maar omdat er zo weinig dichtende vrouwen waren valt ze toch weer op.”

Olga van Marion, de Leidse docent bij wie Dijcks haar scriptie schreef, vindt het een mooie vondst. „Ik ben zelf geïnteresseerd in literatuur als breed maatschappelijk verschijnsel, ik bestudeer hoe allerlei uiteenlopende groepen binnen de burgerlijke samenleving bezig waren met literatuur. Dat vind ik interessanter dan het bestuderen van de canonieke auteurs. De literatuur van de avondjes, de literatuur op straat, van kleinere gezelschappen, van vrouwen en andere minderheden.”

Vanaf de jaren 60 van de achttiende eeuw was er een hernieuwde belangstelling voor het dichten in genootschappen. Die komen op in steden: gegoede burgers gaan zelf literatuur schrijven, commentaar geven op elkaars werk, prijsvragen uitschrijven, bloemlezingen uitbrengen. Op zaterdagen werd poëzie voorgedragen en werden voordrachten gehouden.

Anna van der Aar kwam uit een welgesteld milieu, ze was jonkvrouwe. Ze was eerder al lid geworden van een paar (mannelijke) genootschappen, onder andere Kunst Wordt Door Arbeid Verkregen (Leiden), waar zij als 19-jarige het eerste vrouwelijke lid was.

Maar ze was honorair lid. Dijcks: „Ze betaalde contributie en mocht gedichten inzenden, maar ze mocht niet aanschuiven bij de avonden waarop literatuur werd voorgedragen. Een vrouw zou de mannen maar afleiden van hun moeilijke werk.”

Nou goed, dan doen we het zelf wel, moet Van der Aar gedacht hebben. Volgens Olga van Marion hebben we hier duidelijk te maken met zo’n moment in de geschiedenis waarop een vrouw opeens bedenkt dat vrouwen hetzelfde kunnen gaan doen als de mannen om hen heen.

Binnen het genootschap werden vooral gelegenheidsgedichten geschreven. Dat ging over verjaardagen, overlijdens, of een huwelijk: „Zoo zoo ziet men ’t kan verkeeren / Haartlyk zal ons Suse leeren / Dat een blyden echtenstaat / De eensaamheid te boven gaat.”

Ze schreven ook vaak óver het dichten zelf en hoe het was om binnen zo'n genootschap te dichten: „Nog naauwlyks ’t huis gekeerd, heb ik uw dicht herlezen: / Dan ’k bloos, wanneer ik zie hoe sterk ge van my spreekt; / Waartoe my in uw vers, zoo veel, zoo hoog geprezen? / My, wien het ware schoon der Poezye ontbreekt.”

Verlichtingsgedachte

Die Erg Denkt Vaart Erg In ’T Hart, de naam van het genootschap, betekent volgens Van Marion zoiets als: wie diep nadenkt gaat ook diep het hart in. Varen is een oud woord voor gaan. Dat denken en voelen moesten samengaan en met elkaar in evenwicht moesten zijn, is typisch een Verlichtingsgedachte.

Het vrouwengenootschap werd opgericht middenin de patriottentijd (1780 - 1787). De Republiek was politiek sterk verdeeld, tussen aanhangers van de stadhouder en voorstanders van politieke hervormingen. Van Marion: „Het was een oproerige tijd, er waren ook mensen gevlucht, naar Frankrijk. Maar daar merken wij helemaal niks van in deze gedichten. Dit genootschap houdt zich politiek op de vlakte, wat waarschijnlijk verstandig was en misschien ook wel een ideaal: laten we de vriendschap boven de politieke verdeeldheid plaatsen.”