Cocaïne in een doosje onder de auto

Wie: M. (23) en H. (22)

Kwestie: Dealen

Waar: Rechtbank Den Haag

De Zitting

Op de parkeerplaats van de McDonald’s in Oegstgeest vlak langs de A44 stoppen twee auto’s met de bestuurderskanten naast elkaar. Een agent in burger ziet dat de ramen worden opengeschoven, registreert „contact over en weer”. Verdacht. De agent maakt een melding. „En dan gebeurt er wat bijzonders”, zegt de politierechter tegen M. – een jonge man met een vlassig baardje en een bomberjack aan. In zijn auto vinden toegesnelde agenten „losse kapjes”. Bij de handrem, de versnellingspook, het dashboard. De vakjes zijn leeg, maar het is een teken. De drugs, cocaïne verpakt in ponypacks, blijken in een „stashbox” verstopt te zitten, een magnetisch metalen doosje onder de auto.

In een van de twee telefoons van M. staat een lijstje met de titel ‘blauw’. Agenten herkennen de gegevens: het zijn auto’s en kentekens van de politie.

„Dat is wel typisch”, zegt de rechter tegen M., die zijn bomberjack inmiddels heeft uitgetrokken. „Het is dat u zegt dat u zich op uw zwijgrecht beroept, anders had ik er een vraag over gesteld.”

M. zegt niets. En de andere verdachte, H., een paar meter verderop gezeten achter een doorzichtig spatscherm, praat ook nauwelijks. H. kwam een paar maanden later in beeld, in november, toen zag de politie hem met M. over de A44 rijden. Het nummerbord van de Ford Focus waarin ze zaten, stond geregistreerd. Weer een doorzoeking, weer telefoons, losgeld, ponypacks, een stashbox, weer foute boel. De jonge mannen zitten allebei al 97 dagen in de gevangenis.

De vraag is wie welke rol had.

In de telefoon van M. worden weer verdachte woorden gevonden: ‘Lijst opsturen’. ‘Op de pof’. ‘Blackie heeft handel voor Gio’. ‘Drie wit voor dertig’. „Dat lijkt te gaan over handel in verdovende middelen”, zegt de rechter.

Maar hij wist niet dat er drugs in de stashbox zaten, zegt zijn advocaat, „hij was bijrijder”. Ook H. had er geen weet van, zegt zijn advocaat. In zijn telefoon werden bovendien geen verdachte woorden gevonden. „Ik verzoek vrijspraak.”

„Als u vrijkomt, wat zijn uw plannen dan?”, vraagt de rechter aan M.

„Werken bij PostNL”, zegt hij.

„Ik wil niet pessimistisch zijn”, zegt de rechter, „maar op uw strafblad staat diefstal, diefstal met geweld en openlijke geweldpleging. Het wordt lastig om een verklaring omtrent het gedrag te krijgen. Heeft u daar over nagedacht?”

Dat heeft hij niet.

„Hoe komt u bij PostNL? Het is niet zo’n beroep van ‘later wil ik bij PostNL werken’. Met alle respect voor PostNL.”

Bij de andere verdachte, H., is er „nog een bijzonderheid”, vindt de rechter. „U had verdomme net vastgezeten.” Ook vanwege drugs. Maar de rechter heeft ook het rapport van de reclassering gelezen. „Je lijkt een redelijk stabiel leven te hebben geleid. In de woorden van de reclassering ben je afgegleden.”

Dat is ook wat H. zegt als hij weifelend het laatste woord neemt en begint te praten en te praten. „Een sprong in mijn verleden”, zegt hij. „In april ben ik mijn baan kwijtgeraakt. Ik woonde bij mijn broer. En ja, toen ik vastzat, die honderd dagen, ben ik mijn slaapplek bij mijn broer kwijtgeraakt. Hij is in die tijd verloofd en getrouwd, waar ik niet bij heb kunnen zijn, wat de band nog slechter heeft gemaakt.”

Na zijn detentie kon hij niet terug, zegt hij. „Ik kwam buiten en het enige wat ik had, was een voertuig, daar heb ik een maand lang in geslapen. Het was moeilijk zeg maar, in de auto is het niet echt lekker warm. Ik had geen perspectief, motivatie, middelen. Vandaar dat ik, stom, weer de fout in ging. Maar ik heb nu wel de hulp die ik toen al nodig had.”

Als hij vrijkomt, kan hij terecht bij Exodus, dat mensen na detentie op weg helpt.

Wat tref je aan bij dealers?, zegt de rechter. „Telefoons, contant geld, ponypacks.” „Het is dat er een positief rapport van de reclassering ligt”, zegt hij tegen H. Die krijgt zes maanden, waarvan twee onvoorwaardelijk. Nog twintig dagen en dan komt hij vrij. En voor u meneer, zegt de rechter tegen M.: „Zeven maanden onvoorwaardelijk.”