Hij die pop, zij die dino - hoe moet ik genderneutraal opvoeden aanpakken?

Babysokjes Ouders van nu willen liever stoere meiden en zachtaardige jongetjes opvoeden dan hun kroost in ouderwetse genderrollen proppen. vraagt zich af of het zin heeft dat zij roze kleding koopt voor haar zoontje.

Illustratie Lizan Vermeulen

‘Hij zou het goed doen op het Songfestival!” – een appje van mijn vader, als reactie op een foto van zijn jongste kleinkind. Dat hij het goed zou doen op het Songfestival had niets te maken met de zangkwaliteiten van mijn zoontje van toen zes maanden oud, maar met de pyjama met roze roosjes die hij aanhad.

Toen we begin vorig jaar ouders werden, leek het doorbreken van genderrollen mijn vriend en mij een goed idee. We zijn zelf geen grote voorstanders van stereotypen. De wereld zal een stukje vrijer en rechtvaardiger zijn als jongetjes over hun gevoelens durven praten, meisjes in de modder spelen en glitter, roze, tractors en dino’s niet exclusief behoren tot één geslacht, denken wij.

Het zichtbaarste resultaat van deze overtuiging is tot nu toe dat de bovenste la van de commode van ons zoontje een aantal roze kledingstukken bevat: wat sokken, een paar rompers en dus de ‘Songfestivalpyjama’. Al ging het vullen van die kledinglade niet helemaal zonder slag of stoot. Mijn vriend vond het toch wat spannend dat ik drie roze rompers had gekocht. „Ik wil niet dat onze zoon een politiek statement wordt”, verzuchtte hij, en haalde ter compensatie vooral blauwe kinderspullen in huis.

Nog een voorbeeld: „Dat een jongetje blouses met pofmouwen zou dragen, dat… voelt gewoon vreemd”, zei mijn zus toen ik voor mijn zoontje kleding wilde overnemen van haar dochters. „Maar waarom ik dat vind? Ja, daar vraag je me wat.”

Lees ook: Blauw hoort bij jongens, roze bij meisjes, of niet?

Voor de bühne?

Genderrollen doorbreken klinkt goed, niemand die ik ken zou zeggen dat zij of hij ertegen is. Maar in de praktijk roept dit, zoals deze anekdotes laten zien, veel vragen of zelfs protest op. Het zette me aan het denken. Waar zijn we als zelfbenoemd progressieve ouders eigenlijk mee bezig? Veranderen wij de wereld stukje bij beetje, sok voor sok, of slaat dit eigenlijk nergens op? Doen we het vooral voor de bühne, om onze progressieve en kritische identiteit in stand te houden?

Ik leg mijn twijfels voor aan Iris Sommer, neurowetenschapper en hoogleraar psychiatrie aan de Rijksuniversiteit Groningen en auteur van Het vrouwenbrein. „Meisjes zijn gemiddeld meer geïnteresseerd in mensen, jongens meer in objecten. Dit hangt nauw samen met de testosteronniveaus in de baarmoeder”, licht ze toe aan de telefoon.

Met andere woorden: sekseverschillen in interesses en persoonlijkheid zijn in grote mate biologisch bepaald, volgens Sommer. Wellicht geen politiek correct standpunt – toch is het waar, is haar punt. „Je ziet het zelfs terug bij aapjes: de vrouwtjes kiezen eerder voor de poppen en de mannetjes voor rijdend speelgoed.”

Dit apenexperiment uit 2002 gebruikt ze als ultiem argument voor de stelling dat vrouw-manverschillen zijn aangeboren en (in grote mate) afhankelijk van geslacht. Want als je die verschillen onder dieren ziet, dan is het biologie, en geen sociale constructie. En dat zou dan ook zo zijn onder mensen.

Niet alle neurowetenschappers zijn het hiermee eens. Volgens de Britse Gina Rippon zijn de eventuele verschillende manieren in denken tussen de seksen vooral sociaal aangeleerd, schrijft ze in The Gendered Brain. Meiden hebben geen aangeboren voorkeur voor de kleur roze en poppen, die voorkeuren worden aangemoedigd, aangeleerd en toegejuicht door de omgeving. Het vaak gehoorde apenargument noemt ze een onderzoeksfout: als je het speelgoed in dat experiment anders groepeert, dus niet het mannelijke speelgoed aan de ene, en het vrouwelijke aan de andere kant, dan komen er onder de dieren geen sekseverschillen naar voren, stelt ze.

Illustratie Lizan Vermeulen

Havervlokken

Maar wat moet ik als leek met deze tegenstrijdige, neurowetenschappelijke conclusies? Misschien kan een sociologisch perspectief me verder brengen. Ik vraag het de Zweedse socioloog Fanny Ambjörnsson, die mijn interesse voor de kleur roze tien jaar geleden al tot leven wekte met het boek Roze – de gevaarlijke kleur.

Welk speelgoed en welke kleuren we kinderen aanbieden is wel degelijk van belang voor de mogelijkheden van het kind om haar of zijn eigen voorkeuren en interesses te ontwikkelen, volgens Ambjörnssons onderzoek. „Blauw, roze, poppen en ander speelgoed zijn geen oppervlakkigheden voor kinderen. Het zijn de mechanismen waarmee ze hun wereld indelen.”

Tegelijkertijd moet je niet geloven dat „als je er havervlokken in stopt, er een gezond mens uitkomt”, zegt de socioloog. Je kind heeft ook een eigen persoonlijkheid. „Wat je daarom kunt doen als ouder is allerlei opties aanbieden. Dat houdt in dat kinderen alle kleuren, vormen en gevoelens mogen kiezen – qua speelgoed en kleding, maar ook wat betreft gedrag. Dat ze zowel moedig als zorgzaam mogen zijn, zonder dat iemand dat bagatelliseert.”

Ik vertel haar dat we een kinderopvang voor onze zoon afkeurden, mede omdat alle meisjes roze luizenzakken kregen en alle jongetjes blauwe. Zinvol of gek van ons?

„Dat vind ik geen vreemde afweging”. zegt Ambjörnsson. „Clichékeuzes als het gaat om roze en blauw kunnen aangeven dat de kinderopvang weinig aandacht besteedt aan gendervraagstukken”, zegt ze, eraan toevoegend dat dit niet per se betekent dat het een slechte opvang is. „Ik vind het vooral problematisch dat wat wordt gezien als typisch meisjesachtig – met poppen spelen of roze dragen – vaak als de zwakkere of truttige optie wordt gezien in een groep.”

Dat herkent iedereen, denk ik: ‘meisjeskleur’, ‘meisjesachtig’ en ‘je rent als een meisje’ zeggen veel jongetjes én ook meisjes nog steeds als belediging.

Illustratie Lizan Vermeulen

Beperkingen

Maar ook al zijn er uiteenlopende wetenschappelijke conclusies over het eventuele bestaan van een vrouwen- of mannenbrein, de deskundigen die ik erover spreek zijn het op één punt met elkaar eens: genderstereotypen bestaan en zijn beperkend voor kinderen en volwassenen in onze maatschappij. „Een van de allereerste en duidelijkste wegwijzers voor welk pad een meisje of jongen mag bewandelen in het leven, zijn de kleuren die we ze aanbieden”, zegt Gina Rippon.

Het ter discussie stellen van die ouderwetse wegwijzers is zinvol als je mensen, zoals je kind en diens vriend(inn)en, betere kansen wil bieden om zichzelf te zijn, zeggen de deskundigen die ik spreek. Met andere woorden: ja, roze sokken voor jongens zijn een stap in de goede richting. Niet genoeg om de wereld te veranderen, maar het principe erachter klopt wel.

Zelfs Iris Sommer is het hiermee eens. „Als meisjes meer schietspelletjes zouden spelen, zouden ze hun ruimtelijke voorstellingsvermogen meer trainen. Het kan daarom zeker geen kwaad om dochters aan te moedigen om met typisch jongensspeelgoed te spelen en vice versa.” Het lijkt erop dat wetenschappers de manier waarop mijn vriend en ik ons kind opvoeden dus goedkeuren. We doen het goed met die poppen en de roze pyjama.

Toch wil mijn vriend op één vraag nog steeds een antwoord. Als wij ons kind zo vrij mogelijk van stereotypen en genderrollen willen opvoeden, hoe zorgen we er dan voor dat hij zich daarin veilig voelt, of sterker nog: dat hij niet wordt gepest?

Daar vraagt hij wat. Onze omgeving heeft het al snel over „sociaal experimenteren met je kind”. En de kinderen zélf lijken vaak de grootste voorvechters van de ouderwetse vrouw-manclichés. Dochters zijn niet zelden geobsedeerd met roze en ‘gezinnetje spelen’, waar de zoons van zwaarden en schietspelletjes houden. Volgens sociologen komt dat doordat kinderen hun best doen om tegemoet te komen aan alle verwachtingen die ze tegenkomen over hoe vrouwen en mannen zouden moeten zijn. Afwijkend gedrag wordt afgestraft – al gaat het maar om een sneer tegen een jongetje dat een jurk draagt. Een meisje dat lief doet of een jongen die geen roze maar groen draagt, loopt veel minder risico om bekritiseerd of zelfs buitengesloten te worden door zowel leeftijdgenoten, als volwassenen. En dat ons kind zich veilig en comfortabel voelt, zowel alleen als onder anderen, staat voor ons uiteraard voorop.

Illustratie Lizan Vermeulen

Meerdere paden geven

Na het raadplegen van deskundigen en onze eigen gewetens zijn we (ons kind van nul is nog te klein om mee te praten) het uiteindelijk eens geworden over drie dingen. Ten eerste, laat je kind allerlei kleuren, speelgoed, emoties en spelletjes ervaren. Oordeel niet en maak het niet belachelijk als je zoon prinsesje wil spelen of je dochter de baas wil zijn en met harde, zelfverzekerde stem spreekt. En vertel een zoon die zijn emoties uit niet dat hij een ‘stoere vent’ moet zijn, of niet moet huilen. Zo geef je een kind meer mogelijke paden om de eigen persoonlijkheid en interesses te ontwikkelen.

Punt twee spreekt eigenlijk voor zich, maar voor degenen die denken dat ik geobsedeerd ben door roze en pofmouwtjes zeg ik het toch even: dwing je kind nooit om voor een bepaalde kleur of een bepaald stuk speelgoed te kiezen, en om een bepaalde emotie te tonen. Beweeg mee met de persoonlijkheid van het kind.

Bij punt drie wordt het wat ingewikkelder, omdat dat te maken heeft met de mensen buiten de muren van het gezin: bespreek met de omgeving waarom je genderrollen beperkend vindt en je kind meer opties wil bieden om zijn of haar eigen persoonlijkheid te ontwikkelen. We begrijpen dat onze omgeving, zoals juffen en meesters en de kinderen op het toekomstige schoolplein van onze zoon, misschien vinden dat een trui met Frozen-glitterprint alleen voor meisjes is. Misschien vinden ze de klassieke genderrollen zelfs prima. Dat kunnen we niet negeren en wellicht ook niet veranderen. Het gesprek aangaan, vooral met leerkrachten en andere ouders, kan wel.

Dit kun je ook met een kind zelf bespreken – en tegelijkertijd realistisch blijven. Ja, het klopt dat jongens niet zo vaak kleren met bloemetjes dragen, als verpleger werken of huisvader zijn. Maar als jij dat wil, dan is dat alleen maar prachtig.

En, voegt Fanny Ambjörnsson toe: „Oma en opa zien alleen bepaalde kanten van jullie ouderschap: hun kleinzoon draagt roze. Ze weten niet waarom precies. In plaats van tegen ze te zeggen dat ze geen commentaar mogen hebben op de kleur roze, zou het mooi zijn als jullie de tijd nemen om jullie keuzes uit te leggen.”

Het klinkt sympathiek, maar ik zie het al voor me: „Komt ze weer, met haar linkse vastberadenheid.” Tegelijkertijd denk ik niet dat mijn ouders het hun kleinzoon zullen willen onthouden: op veel verschillende manieren jongen kunnen zijn.

Dus ging ik het gesprek aan.

Mijn vader zei dat hij zich het Songfestivalcommentaar niet kon herinneren (ik mocht hem wel citeren). En na enig nadenken zei hij dat hij eigenlijk geen mening heeft over een pyjama met roze roosjes. „Dertig jaar geleden had ik dat wel gehad. Toen dacht ik nog dat een echte kerel ballen moet hebben, enzovoort. Je verandert natuurlijk als mens, gedeeltelijk door de invloed van je kinderen. Nu heb ik geen mening meer over dit soort zaken. Welk nut zou dat ook hebben?”

Dat ging dus best goed. Niet alleen heb ik mijn vader mogen vertellen waarom zijn kleinzoon met poppen speelt, mijn vader heeft me ook iets geleerd over zijn denkwereld.