Nu staat Rutte er nog riant voor. Na 17 maart wacht hem een mijnenveld

Deze week: het einde van de bange Baudet-tolerantie, Peper versus Ploumen, een meerderheid die feiten creëert voor de volgende periode. Ofwel: waarom de premier na 17 maart een politiek mijnenveld wacht.

Je kon zeggen: het was de week van Bram Peper en Thierry Baudet. Van vergane glorie en vergooide kansen. Peper (PvdA), oud-burgemeester van Rotterdam, gaf dinsdag een radio-interview aan Sven Kockelmann. Een variatie op klassiek PvdA-gedrag: verbeter de wereld, vernietig de partijleider.

Het moment had voor lijsttrekker Lilianne Ploumen niet beroerder gekund.

Dit weekeinde, zondag, besluit RTL Nieuws welke zes partijleiders worden toegelaten tot het ‘premiersdebat’ over twee weken, 28 februari.

De officieuze start van de verkiezingscampagne op televisie, tevens een voorselectie: wie dat podium niet haalt, loopt het gevaar de rest van de campagne buiten de kopgroep te blijven.

Nu was de kans dat Ploumen zich zou kwalificeren al niet groot, gezien de rekenformule die RTL hanteert. Maar het was wel bijzonder dat Peper net op dit moment, toen de PvdA nog hoopte op een wondertje, de eerste vrouwelijke lijsttrekker uit de partijhistorie besloot af te branden.

„Ze doet het aardig, maar zo zijn er wel meer”, zei hij minachtend. Ploumen is volgens hem gewoon ongeschikt: ze mist, zei hij, de „vaardigheid van een politiek leider”.

Dus de man die zelf, na twee jaar burgemeesterschap, in 1984 zodanig leegliep tegen Ischa Meijer in Vrij Nederland dat zijn vaardigheid als stadsbestuurder nog jaren in twijfel werd getrokken, verweet de nieuwe partijleider, drie weken in functie, een gebrek aan politieke vaardigheid.

Dit was Bram Peper, goedenavond.

Dan was er nog Baudet. Elsevier Weekblad onthulde appverkeer van de partijtop waarin hij vorig jaar zomer schreef: „Zou je willen dat je zus met een neger thuiskomt?” Ook herhaalde hij dubieuze ideeën over IQ-verschillen tussen rassen. Circus Baudeti stopt nooit.

De ophef was weer groot, begrijpelijk misschien – al keek ik er ook van op.

Want wat was het verschil met Baudets weigering, voorjaar 2018, afstand te nemen van FVD-jongere Yernaz Ramautarsing, destijds in het nieuws met dezelfde pseudowetenschappelijke kronkels inzake IQ en ras? En wat onderscheidt die opmerking over „je zus met een neger” van Baudets uitspraken in 2017, toen hij zich beklaagde dat „de cultuur van zelfhaat” leidt tot „homeopathische verdunning met alle volkeren van de wereld”, waardoor er „nooit meer een Nederlander zal bestaan”?

Je dacht: het heeft even geduurd, maar de tijd van de bange Baudet-tolerantie is blijkbaar dan toch voorbij.

Nu kon je ook zeggen dat de week een fundamenteler punt in beeld bracht: een politieke meerderheid heeft voor de periode na de verkiezingen een mijnenveld neergelegd voor Mark Rutte, het veronderstelde succesnummer op 17 maart.

Op korte termijn oogt bijna alles gunstig voor de premier annex VVD-lijsttrekker.

Tot begin maart gelden strenge coronamaatregelen, inclusief avondklok, en dat is wat het electoraat waardeert. De vaccinaties komen eindelijk op gang. Het vertrouwen in Rutte als crisismanager is ondanks allerlei miscalculaties intact gebleven.

De poging, geïnitieerd door CDA en SP, hem persoonlijk aan te pakken op de Toeslagenaffaire is mislukt. Niet één peiling liet daarna een substantiële verzwakking van de VVD te zien. En de uithaal van CDA-lijsttrekker Wopke Hoekstra drie weken terug, inzake „de gebroken belofte van tien jaar VVD” aan de middenklasse, is niet meer op die wijze herhaald.

Nu leidt de relatie van Hoekstra met Rutte al langer tot speculaties binnenskamers.

Rond de val van het kabinet zagen ministers hoe de twee elkaars nieren proefden. En hun verhouding was altijd al stroef. Rutte biedt collega’s loyaliteit aan, en krijgt dat daarom ook terug. Het verklaart mede zijn goede verstandhouding met bijvoorbeeld Hugo de Jonge.

Maar Hoekstra blijft zakelijk. Op afstand. Hard in onderhandelingen. En hij staat, zeggen medestanders, niet in het krijt bij Rutte.

Maar Rutte ook niet bij hem, bleek de laatste tijd.

Omdat de campagne dit jaar neerkomt op drie lange weken politieke televisie, met als informeel startschot het NOS-radiodebat op vrijdag 26 februari, had je de laatste anderhalve maand een lange reeks contacten tussen campagneteams en televisieredacties over interviews en debatten.

Het CDA had als inzet: zo veel mogelijk debatten tussen Rutte en Hoekstra. Voor die partij de beste manier om Hoekstra als alternatief voor Rutte te presenteren.

En omdat het CDA ook de komende kabinetsperiode inhoudelijk de interessantste coalitiepartner voor de VVD is, was het niet onlogisch als de VVD, gezien haar voorsprong in de tussenstanden, het CDA een handje had geholpen.

Maar dat blijft voorlopig uit. Niet alles was vrijdagmiddag al rond (bijvoorbeeld het NOS-slotdebat stond nog open), maar in mijn inventarisatie, bevestigd door de campagnes, zijn er tot nader order nul debatten Rutte-Hoekstra gepland.

Wel kwam de VVD twee grote debatten met Geert Wilders overeen (een uur bij Jeroen Pauw; een ander in EenVandaag), en is er een afspraak voor een gezamenlijk optreden van Rutte met Sigrid Kaag (D66) bij Jinek.

Elke campagneleider weet wat dit betekent: de VVD gunt Wilders (die laatst nog dineerde op het Torentje) en Kaag extra kansen – en Hoekstra voorlopig geen enkele.

Cynisme zit er natuurlijk wel in de VVD-keuze voor Wilders. Het is ondenkbaar dat de PVV gaat meeregeren, terwijl die partij sinds december daalt in de Peilingwijzer, en het CDA inmiddels bijna even groot is.

Dus deze uitkomst roept bij allerlei partijen, niet alleen het CDA, vragen op: misgunt de VVD zijn voornaamste politieke partner een wederopstanding?

Of er een verband is kan ik niet aantonen, maar het was wel opmerkelijk dat hetzelfde CDA afgelopen dinsdag een onverwachte manoeuvre maakte. Hoewel de partij eerst sceptisch was over een parlementaire enquête naar de Toeslagenaffaire, stemde men er toch mee in.

Het betekent nogal wat: de komende kabinetsperiode beleven we waarschijnlijk drie parlementaire enquêtes. Naar de Groninger gaswinning, de Toeslagenaffaire en – waarschijnlijk – de coronabestrijding.

Het is nooit vertoond sinds de Tweede Wereldoorlog. En uitermate complex voor het volgende kabinet, ook omdat op alle drie deze dossiers vingerafdrukken van de premier zitten.

Dan heb ik het nog niet gehad over de kabinetsformatie: wie wil (opnieuw) regeren met een partij die volgens de tussenstanden qua zeteltal ver boven de andere uitstijgt?

Je merkt dat ook mensen in coalitiepartijen zich hardop afvragen of ze niet eens een rondje moeten overslaan. En in partijen die wel (door) willen, zeggen ze het zo: hoe meer de VVD wint, hoe hoger onze prijs voor samenwerking.

Ruttes tweede kabinet, met de PvdA, had in 2012 het uitgangspunt dat de coalitiepartijen ‘elkaar iets moeten gunnen’. Het lijkt een eeuwigheid geleden. De PvdA ligt sindsdien op apegapen, en andere partijen weten vanaf dat moment: van de VVD iets gunnen wordt alleen de VVD wijzer.

Zo heeft die enorme VVD-voorsprong in de tussenstanden, al bijna een jaar, twee werkelijkheden in Haagse hoofden geplant: een nieuwe zege van Rutte is blijkbaar onvermijdelijk, dus wordt hem het leven de volgende periode zo lastig mogelijk gemaakt. Vandaar dat mijnenveld.

Een oude Haagse wijsheid wil: een veelvraat wordt altijd afgestraft. Dus je kunt je wel afvragen of de recente opstelling van de VVD tegenover het CDA verstandig zal blijken te zijn. Al geldt dit natuurlijk ook voor dat mijnenveld.