De sneeuw die er nu nog ligt, is niet meer de sneeuw van vorige week

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen.

Deze week: Veel aan sneeuw is al lang geleden verklaard, maar blijft toch makkelijk onopgemerkt.

Sneeuwvrije plekken rond de voet van allerlei palen en paaltjes, het effect van luchtturbulentie.
Sneeuwvrije plekken rond de voet van allerlei palen en paaltjes, het effect van luchtturbulentie. Foto’s Yanthe Cornelissen

De sneeuw die er nu nog ligt is niet meer de sneeuw die afgelopen zondag en maandag naar beneden kwam, de massa heeft inmiddels heel andere eigenschappen gekregen. In de stad zie je dat zó wel, maar ook de sneeuw die buiten het bereik bleef van mensen, strooiwagens en pissende honden veranderde ingrijpend en zonder dat er dooi aan te pas kwam.

Sneeuw veroudert of, zoals sneeuwkundigen liever zeggen: sneeuw ondergaat een metamorfose. Dat begint al op het moment dat de veelbezongen sneeuwkristalletjes zich settelen: dan breken armpjes en dergelijke af en blijven in het gedrang voornamelijk ronde brokjes over. De destructieve fase, heet dat. Kort daarop begint de constructieve fase waarin de sneeuwkristallen boven in de laag aangroeien ten koste van die onderin. De onderste sneeuw staat in contact met de nog warme aarde en ontwikkelt een hogere waterdampspanning dan die bovenin. Die wordt gekoeld door koude lucht en uitstraling. Zo ontstaat watertransport van onder naar boven. Van lieverlee gaat de sneeuw aaneenkitten, insiders noemen het sintering, en loopt de dichtheid van de massa op. Na verloop van tijd zie je ook de effecten van sublimatie. Er verdampt en verdwijnt sneeuw zonder dat die smolt.

Onder de metamorfose veranderen ook de optische eigenschappen van de sneeuw. De sneeuwlaag wordt steeds lichtondoorlatender, tot hij, maar dat gebeurt niet gauw, ijsachtige kwaliteiten krijgt. Dan gaat-ie weer méér licht doorlaten, het is al lang geleden vastgesteld. Onder een sneeuwlaag van 10 cm dringt nog maar een paar procent van het daglicht door en in bevroren sloten en vaarten die met zo’n laag zijn bedekt heerst dus duisternis. Het zuurstofgehalte van het water kan er zó door dalen dat vissen in nood komen. Een halve eeuw geleden – toen er nog sneeuw viel die vele weken bleef liggen – zag je, als de dooi inviel, de grasvelden grauwgeel tevoorschijn komen. Pas na een dag of tien kwam dat weer goed. Het schijnt dat toendravegetatie, met korstmossen en zeggen en planten verwant aan bosbes en cranberry, onder niet al te dikke sneeuw zachtjes door kan groeien. Het fotosynthetisch effectieve blauwe licht dringt het diepst door en onder de sneeuw heersen draaglijke temperaturen.

Scooters maken sneeuw niet witter

Voor de licht- en warmtereflecterende eigenschappen van sneeuw ontstond veel aandacht toen de wereld te maken kreeg met het broeikaseffect en men de stralingsbalans van de aarde secuur wilde opmeten. Verse sneeuwlagen van vijf of tien centimeter dik weerkaatsen soms wel 95 procent van het erop vallende zichtbare licht. Heel dunne laagjes komen minder hoog uit en op oude lagen kan zich zoveel stof en vuil vastzetten dat het percentage halveert. Smeltwater kan de reflectie ook verlagen. Sneeuw die wordt ingedrukt, bijvoorbeeld door een sneeuwscooter, wordt daar niet witter van. Er was een vermoeden dat het wel zo zou zijn, maar metingen wezen uit: nee.

Verse, dikke sneeuw die zonlicht weerkaatst oogt feller wit dan de zonbeschenen wolken erboven want wolken, vooral dunne wolken, laten veel licht passeren. En ook onder een volkomen bedekte hemel lijkt sneeuw witter dan de bovenstaande wolkenlucht, hoewel dat volgens Bartjens niet kan. Minnaert (De natuurkunde van ’t vrije veld) heeft het uitgelegd: je vergelijkt de sneeuw onwillekeurig met de donkere wolkenlucht aan de horizon. De hemel rond het zenit is altijd veel helderder. Een proef met een spiegeltje overtuigt onmiddellijk.

Veel aan sneeuw is al lang geleden beschreven en verklaard maar blijft toch makkelijk onopgemerkt. De sneeuwvrije plekken die afgelopen zondag rond de voet van allerlei palen en paaltjes overbleven waren het effect van luchtturbulentie. Er stond een stevige oostnoordoostenwind, het vroor een paar graden en de sneeuw was poederfijn. De sintering moest nog komen.

Soms zie je een ribbelpatroon

Er zit systeem in de sneeuwkommen: aan loefzijde is de helling steil, aan lijzijde loopt-ie geleidelijk op. Aan loefzijde zie je soms ook het ribbelpatroon van de elkaar opvolgende sneeuwbuien en sneeuwvlagen. Het beeld is geheel conform de illustratie die Minnaert ervan geeft. Fijn, droog zand op het strand reageert ongeveer net zo en laat zich daarbij ook sorteren. In de sneeuw rond de paaltjes was geen sortering te zien.

De steile wand van de sneeuwkommen wijst naar de hoek waaruit de wind woei die ze deed ontstaan. Dat hoeft niet per se de overheersende windrichting te zijn. In de stad, bijvoorbeeld, volgt de wind meestal de richting van de straten en grachten en in de vrije natuur – let op, woudlopers en spoorzoekers – kan het aardse reliëf ook van invloed zijn. Voor de sneeuwrichels die zich langs de verticale stammen van bomen vastzetten geldt hetzelfde, de survivalgidsen zien dat te simpel. In Amsterdam wezen ze afgelopen zondag alle kanten op. Vreemd was dat dezelfde wind en hetzelfde type sneeuwvlokken maandag géén richels deden ontstaan. Misschien was de boomschors inmiddels te ver afgekoeld?

Nog een enkel woord tot de woudloper. Als de zon wat meer kracht krijgt en de temperatuur naar het nulpunt stijgt, vormen zich rond palen en bomen sneeuwinzinkingen die niets met de turbulentiekommen te maken hebben. Ze ontstaan onder invloed van de warmte die de palen uitstralen en zijn aan de zuidzijde het breedst. Niet de wind maar de zon is daarin leidend.