Het water komt ook via de achterdeur binnen

Rivieren Niet alleen de stijgende zeespiegel bedreigt het land. Ook in Rijn en Maas kunnen de pieken stijgen, zoals deze week. Komt er nog meer ruimte voor de rivieren?

Kajakkers in de nevengeul van de Waal, vlak bij Nijmegen, vorige week donderdag.
Kajakkers in de nevengeul van de Waal, vlak bij Nijmegen, vorige week donderdag. Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP

De draaiboeken kwamen tevoorschijn. Gemeenten en waterschappen verhoogden hun staat van paraatheid, en bereidden zich voor op een verhoogde afvoer in de Maas en in de Rijn. Bij Lobith bereikte die afvoer deze week zijn piek: bijna 7.400 m3 per seconde. Het heeft geen onvoorziene problemen opgeleverd, zegt Harold van Waveren, topadviseur waterveiligheid bij Rijkswaterstaat. Hij brengt de jaren 1993 en 1995 in herinnering. Toen was de situatie veel penibeler. Dit keer was er wel wat overlast hier en daar. „Maar daar zijn de gebieden op ingericht”, zegt Van Waveren.

Sommige gemeenten hebben stukken van hun kade afgezet. „Dat is vooral gebeurd langs de Rijntakken, in steden als Nijmegen, Zutphen, Deventer”, zegt Van Waveren. Langs de Maas gaat het anders. Daar zijn vooral her en der schotten geplaatst, en pompen ingezet.

Lees over de oorzaak van de hoge waterstanden van vorige week: Waardoor staat het water in Nederlandse rivieren zo hoog?

Afvoeren zoals die van afgelopen weken zien de waterbeheerders nu zo’n beetje elke drie jaar. Maar die frequentie zal toenemen, als gevolg van het veranderende klimaat. En nog veel grotere afvoeren, waarop nu een kleine kans is, zullen over een jaar of vijftig naar verwachting normaal zijn. Nederland moet zich daar nu al op gaan voorbereiden, zeggen wetenschappers. Maar wat zijn de opties? Hoe beschermt Nederland zich nu tegen hoog water? En hoe ging dat vroeger? Met zevenmijlslaarzen langs twee millennia samenspel tussen mens en rivieren.

Het jaar 785

Ten minste drie extreme overstromingen zijn er in Nederland geweest in de periode 200-1.000 n.Chr. Rond 280, 600 en 785. Dat is de laatste jaren duidelijk geworden uit divers onderzoek aan archeologische resten, sedimentlagen en boomringen. En met computersimulaties is vorige maand gebleken om welke volumes het destijds ging: circa 14.000 m3/sec. Bijna twee keer zoveel als wat er afgelopen week bij Lobith tijdens de piek passeerde.

„Bomen die een tijdje onder water staan, kunnen daar jarenlang last van hebben in hun groei”, zegt fysisch geograaf Kim Cohen van de Universiteit Utrecht, die het onderzoek uitlegt. Je ziet dat terug in de breedte van de jaarringen. Ook oude nevengeulen die van de hoofdrivier afgesloten zijn geraakt, geven informatie. Bij een overstroming komt daarin een dun laagje sediment terecht, dat je kunt dateren. „Hoe grover zulke laagjes, hoe groter de overstroming waarschijnlijk is geweest.”

Zijn collega Harm Jan Pierik, ook fysisch geograaf, schetst in een paar grove pennenstreken het toenmalige rivierenlandschap. Het was erg dynamisch, dijken bestonden nog niet en overstromingen had vrij spel. Rivieren verlegden zich, of kregen nieuwe takken. En dat in een delta waarvan grofweg de westkant bestond uit laaggelegen veenmoeras (het huidige Groene Hart), terwijl er in de oostelijke helft talrijke bosrijke ruggen lagen. Die hogere ruggen – oeverwallen – waren langs riviergeulen ontstaan door afzetting van sediment. Als een geul afgesloten raakte, slibde hij dicht en bleven de ruggen achter in het landschap. „De Betuwe ligt er vol mee”, zegt Pierik. Mensen vestigden zich op deze plekken. Maar aan het einde van de 3de eeuw – het Romeinse Rijk raakt dan in verval – worden met name lager gelegen nederzettingen op deze ruggen verlaten. Het valt samen met een periode van meer overstromingen in het rivierengebied, zegt Pierik. Uit vergelijking van archeologische opgravingen blijkt dat men na de Romeinse tijd iets hoger gaat wonen. „Een paar decimeter”, zegt Pierik. „Daarna zien we de nederzettingen ook weer in de wat lagere delen terugkomen.” In de 7de en 8ste eeuw volgt weer een periode met meer overstromingen, waarvan twee extreem.

Veel verandert er vanaf de 11de eeuw, zegt Pierik. Dan begint het inpolderen en bedijken. In het huidige Groene Hart ontstaan zo de typische lintdorpen. „Heel anders dan op de hoger gelegen ruggen in de Betuwe. Hier zie je vooral kromme wegen en dorpskernen.” Die oude bewoningspatronen zijn tot op de dag van vandaag terug te zien in het landschap.

Overstromingen leiden vanaf dat moment ook niet meer tot het wegtrekken van de bevolking, zegt Cohen. „Steden bleven, en groeiden alleen maar. De dijken waren wat dat betreft een succes.”

Het onderzoek naar overstromingen richt zich nu op de periode 1000-1600 n.Chr., zegt Cohen. Voordeel is dat er meer historische bronnen zijn. „We weten dat er in de zomer van 1342 en de winter van 1374 grote klappers zijn geweest. Maar nog niet precies hoe groot ze waren.”

Het jaar 1993

Nederland schudt wakker door wat er in 1993 en 1995 gebeurt. Rijn, Maas, Waal en IJssel krijgen zoveel regen en smeltwater te verwerken dat ze ver buiten hun oevers treden. In 1995 moeten 250.000 mensen worden geëvacueerd. Sommige dijken dreigden te bezwijken. „Ze waren aan het verweken. Het is toen net goed gegaan”, zegt Van Waveren van Rijkswaterstaat.

In eerste instantie worden de meest kwetsbare dijken versneld versterkt. Maar daarna kiest Nederland een atypische aanpak om zich beter tegen het water te beschermen. De rivieren krijgen méér ruimte. Akkers en weilanden worden opgekocht. Ze veranderen in verbrede uiterwaarden en uitgegraven nevengeulen. Zodat het water bij een hoge afvoer over een groter gebied kan uitvloeien. Bijna parallel daaraan start een programma om dijken elke twaalf jaar te beoordelen, en zo nodig te versterken. In 2050 moet dat zijn gebeurd voor 1.300 kilometer dijken en 500 sluizen en gemalen – het is het grootste hoogwaterbeschermingsprogramma sinds de Deltawerken. „Het gaat niet alleen om verhoging van dijken, maar juist ook om versteviging”, zegt Van Waveren. Want een van de problemen is piping: door hoge druk vanuit de rivierkant kan er water onder de dijk door sijpelen. Zandige grond onder de dijk kan wegspoelen, wat de dijk op den duur instabiel maakt. Er zijn verschillende manieren om dat te voorkomen, zegt Van Waveren. „Je kunt bijvoorbeeld aan de binnenkant een berm aanleggen.”

De overstroomde Maas bij Borgharen, Limburg, in december 1993.

Foto Chris Keulen

Hoe de mens zich aanpast, illustreert de provincie Limburg. Na 1995 wordt bijvoorbeeld de stroomgeul van de Maas tussen Maastricht en Roosteren verbreed. En uiterwaarden zijn daar uitgegraven, vertelt Jos Teeuwen, bij Waterschap Limburg verantwoordelijk voor de hoogwaterbescherming. Bij Heel en Horn zijn bekkens aangelegd, die bij een hoge afvoer water kunnen bergen. Verder zijn op achttien plekken de dijken versterkt. De laatste versterking is net deze maand afgerond, bij Neer. Een deel van de dijkverhoging van zeventig centimeter is er – voor het eerst in Nederland – in glas uitgevoerd. Zodat de bewoners op de Maas uit kunnen blijven kijken.

Er staan nog zestien grotere projecten op stapel, vertelt Teeuwen. Tussen Baarlo en Hout-Blerick zullen zo’n zestien woningen verplaatst worden, om de rivier meer ruimte te kunnen geven. Bij Arcen zal de dijk – „nadat je de brouwerij bent gepasseerd” – een heel stuk verplaatst worden, weg van de rivier.

Het waterschap moet daarbij rekening houden met de nieuwe norm die sinds 2017 in Nederland geldt. De kans dat iemand als gevolg van een overstroming overlijdt mag maximaal 1 op de 100.000 per jaar zijn (de vorige norm was gericht op dijken en stelde een maximale overstromingskans van 1 op de 1.250 jaar). Het waterschap anticipeert ook al op het veranderende klimaat, vertelt Teeuwen. De kans op hogere afvoeren neemt toe. „Met de geplande aanpassingen kunnen we de komende vijftig jaar vooruit.”

Het jaar 2100

„We denken dat de dreiging voor Nederland alleen maar van de stijgende zeespiegel komt. Maar via de achterdeur kunnen ook de rivieren voor meer gevaar zorgen”, zegt water- en klimaatonderzoeker Marjolijn Haasnoot, verbonden aan kennisinstituut Deltares en de Universiteit Utrecht. Het veranderende klimaat zorgt voor heftiger winterse regenbuien. De kans op hoge rivierafvoeren neemt toe. Daarnaast vervroegt het smeltseizoen in de Alpen – nu doorgaans van april tot juni. Het wordt waarschijnlijker dat de smelt samenvalt met heftige regens. Haasnoots collega Mark Hegnauer heeft eraan gerekend. Afvoeren van zo’n 7.000 m3/sec, zoals die zich afgelopen week bij Lobith voordeden, komen nu eens per drie jaar voor, maar over vijftig jaar al eens per één à twee jaar. De afvoer die statistisch gezien eens in de 1.250 jaar voorkomt, is nu berekend op 16.000 m3/sec. Dat is ook de waarde waarop het Nederlandse systeem is ingericht. Maar over circa vijftig jaar zal die waarde gestegen zijn naar 18.000 m3/sec.

Lees over hoe Nederland de toekomstige stijging van de zeespiegel kan aanpakken: Stel dat de zee opeens twee meter stijgt

En daar komt nog bij, zegt Haasnoot, dat de stormvloedkeringen aan de kust vaker dicht zullen moeten door de stijgende zeespiegel in combinatie met storm. Als je tegelijkertijd een hoge afvoer hebt, hoe krijg je het water dan weg uit de rivieren? „Als de keringen permanent dicht gaan, moeten we gaan pompen, ook bij een gemiddelde afvoer”, zegt ze. „We moeten nu al over mogelijke aanpassingen nadenken.”

Hoog water bij Slot Loevestein in Poederoijen, vorige week zaterdag.

Foto Remko de Waal/ANP

Een optie is om de rivieren nóg meer ruimte te geven. Het Wereld Natuur Fonds (WNF) is er voorstander van, en heeft er een plan voor ontwikkeld. „Er zijn nog allerlei plekken waar je de dijken terug kunt leggen, van de rivier af, en de uiterwaarden kunt verlagen”, zegt Bas Roels van WNF Nederland. Dat zou wel ten koste gaan van buitendijkse landbouwgrond. De minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft, met instemming van de Tweede Kamer, alvast een aantal gebieden laten reserveren, net onder Nijmegen (voor de Maas), en onder andere bij Zevenaar en Deventer (voor de Rijn).

Een andere optie, zegt Haasnoot, is minder water afvoeren via de Waal en de Nederrijn, en meer via de IJssel. Bijvoorbeeld door het Pannerdensch kanaal te verbreden. „Je zou dat water via pompen in de Afsluitdijk de Waddenzee in kunnen werken.” De eerste pompen worden daar nu geïnstalleerd. Ze maken onderdeel uit van de versterking aan de Afsluitdijk, waarmee Rijkswaterstaat eind 2018 is gestart. „We laten ruimte voor nog zeker twee keer zoveel pompen, mocht dat straks nodig zijn”, zegt Van Waveren van Rijkswaterstaat.

Haasnoot zegt dat ze met collega’s meer mogelijke toekomstscenario’s aan het uitwerken is.