Opinie

Ook ‘lelijke’ kunst verdient bescherming tegen drieste verkoop

Musea

Commentaar

Dan verkoop je toch gewoon de boot? Dat is kort gezegd de boodschap die het CDA in Amsterdam heeft voor het Stedelijk Museum. „Desperate times, desperate measures”, zei de bedenker van het plan, gemeenteraadslid Diederik Boomsma, op de radio. Met het geld zou volgens hem niet alleen het wegens de corona-uitbraak gesloten museum, dat inkomsten misloopt, weer een tijdje vooruit kunnen, ook de rest van de noodlijdende kunstsector in Amsterdam zou ermee geholpen kunnen worden.

Alsof die suggestie alleen al nog niet pijnlijk genoeg was, had Boomsma ook al bedacht welk kunstwerk verwijderd zou mogen worden: As I Opened Fire van de in 1997 overleden Roy Lichtenstein, een drieluik van uitvergrote en op canvas geschilderde plaatjes uit een stripboek. Dat dit werk een revolutie in de kunstgeschiedenis vertegenwoordigt doet er voor hem kennelijk niet toe. Popartkunstenaars als Lichtenstein en Warhol lieten in de jaren zestig de grenzen tussen hoge en lage cultuur vervagen en stelden daarmee de vraag wat kunst eigenlijk is. Wat het CDA betreft, is dit drieluik in elk geval géén kunst; Boomsma vindt het lelijk. Al heeft hij er geen probleem mee als de Amsterdammers liever een ander werk in de ban doen.

Het is niet de eerste keer dat het CDA kunstinstellingen in de kou laat staan. Tijdens het kabinet Rutte I, dat harde bezuinigingen doorvoerde op de landelijke kunstsubsidies, waren het vooral VVD en PVV die de kunstsector wegzetten als een stelletje subsidieslurpers. Maar het CDA liet het gebeuren en greep niet in.

Nu krijgen de musea het verwijt dat er „duizenden kostbare kunstwerken in depots liggen te verstoffen”. Het citaat komt van een ander Amsterdams gemeenteraadslid, Wil van Soest van de Partij van de Ouderen. Zij diende een motie in die B en W oproept belastingen en parkeertarieven niet te verhogen maar „de tering naar de nering” te zetten, door de museale collecties aan te boren als inkomstenbron.

Het beeld van verstofte depots doet geen recht aan de musea. Ontzamelen is daar geen taboe, integendeel. Elk zichzelf respecterend museum onderzoekt van tijd tot tijd of het werken heeft die dubbelen, van mindere kwaliteit zijn of niet goed passen in de collectie. De Museumvereniging heeft richtlijnen, waarbij de afspraak is dat af te stoten werk eerst wordt aangeboden aan andere Nederlandse musea. Verstandig, soms kan het een passender plek krijgen en zo gaan er geen onvervangbare kunstschatten verloren voor Nederland. Afspraak is ook dat opbrengsten uit verkoop altijd opnieuw worden gebruikt voor de collectie.

Ondanks deze leidraad gaat het af en toe flink mis. In 2011 verkocht Museum Gouda, om geldtekorten op te lossen, het schilderij The Schoolboys van Marlene Dumas, dat andere musea ook graag hadden willen hebben. Rond diezelfde tijd had het Wereldmuseum in Rotterdam vergevorderde plannen om de unieke Afrikacollectie te verkopen aan handelaren. De gemeente greep op het nippertje in.

Het zou goed zijn als de Amsterdamse cultuurwethouder Touria Meliani (GroenLinks) vroegtijdig een grens trekt in het debat in haar gemeente. Een andere politicus ging haar al voor, een partijgenoot van Boomsma nog wel. Sybrand van Haersma Buma, voorzitter van de Commissie Collectie Nederland, wil dat nationaal erfgoed in bezit van particulieren en lagere overheden wordt beschermd tegen drieste verkoopplannen. Dat begint bij vastleggen wat behouden moet blijven. Het criterium ‘van uitzonderlijke schoonheid’ mag vervallen van de commissie. Ook ‘lelijke’ kunst verdient bescherming.