Recensie

Recensie Boeken

Hoe je kunt kijken met woorden

Hans Tentije In zijn zeventiende dichtbundel heerst een intensieve tijdsbeleving en een scherp zicht. Soms wringen verlangen en werkelijkheid. En steeds is daar die innerlijke bioscoop.
Beeld Getty Images

Kun je tijd zien? Waar bestaat tijd uit, als je het verstrijken ervan nooit kunt vastpakken en altijd anders ervaart dan de klok aangeeft? Met zijn aanhoudende zoektocht naar de aard van tijd laat Hans Tentije (1944) zien hoe de beleving ervan uiteenvalt in herinneringen en verlangens, brokstukken en schokken.

Het ‘nu’ is ongrijpbaar als een geliefde die vertrekt, zoals blijkt uit het korte, schitterende gedicht uit Wisselsporen (1999):

Dan help ik je in je jas maar je hand vindt het armsgat niet en je mond is te ver al om te kussen

Veel dichters kunnen snel gelezen worden, zonder dat je daarbij iets ontgaat. Maar wanneer ik dat probeer bij Tentije – voor zijn oeuvre in 2017 bekroond met de Constantijn Huygens-prijs – kom ik niet ver. Zijn regels bepalen hun eigen, vertragende tempo. Zorgvuldig geformuleerd eisen ze nauwlettende aandacht.

Tentije vertelt geen verhaaltje; hij komt niet met een ontboezeming. Hij kijkt met taal. Wie zich daaraan overgeeft en meekijkt, wordt niet alleen beloond met een intensievere tijdsbeleving, maar ook met een scherper ‘zicht’ – in poëtisch proza uitgewerkt in De innerlijke bioscoop (1990): ‘Stof danst in de baan van de projector, in de flakkering van de bij elkaar op het scherm aansluiting zoekende, elkaar aanklampende beelden – van wat zich uit mij losmaakt, zich van zichzelf bevrijdt. Op het eigenlijke, het wezenlijke dat door het verhaal heen schemert of dat zich in een flits zou kunnen openbaren, ook nu is het daarop wachten.’

De innerlijke bioscoop is bij Tentije steeds op de achtergrond aanwezig. Valt die bioscoop samen met de dichter? Ja, omdat hij niet aan zijn perspectief kan ontsnappen. Nee, niet helemaal, omdat de waarneming voortdurend wordt bevraagd. De innerlijke bioscoop is nooit dezelfde, de dichter kan nooit achteroverleunen en zijn omgeving als bekend veronderstellen.

Grappig

Ook wat aan het zicht ontsnapt, kan aanleiding zijn voor een gedicht in Nergens anders, de zeventiende dichtbundel van Tentije:

Omdat hij uit de aangrenzende tuin iets opvangt wat klinkt als camouflage of als kan dat glaasje gaat hij terug naar de zin waarin hij is blijven steken maar na drie keer vergeefs weer te zijn begonnen slaat hij zijn boek dicht

De lezende man stokt in zijn boek zoals ik stok in het gedicht, door de snelle overgangen: van de tuin in de eerste regel naar de grappige interpretatie van klanken in de tweede regel naar de desoriëntatie van de lezende man in de derde – waardoor ook ik niet meer weet waar ik ben.

De openingscyclus van Nergens anders bestaat uit vijf gedichten die vier verschillende afdalingen of dieptes weergeven – een trap, een steile oever, een mijn, het binnenste van een walvis. Alleen in het slotgedicht blijft een concrete afdaling uit, waardoor de grond onder de voeten van de jij-figuur onzeker aandoet.

Zijn ontmoeting met een vrouw die een etalage versiert, wordt verhinderd door het glas tussen beiden. Zij steekt hem een hand toe ‘als om je te laten zien dat ergens/ op haar levensweg jouw lot met het hare verbonden was// maar door haar ademhaling besloeg het glas’.

Het rijm in de slotregels valt op: doorgaans is er geen eindrijm te bekennen bij Tentije. De klanken naderen elkaar, terwijl de mensen aan weerszijden van het glas elkaar niet kunnen bereiken: verlangen en werkelijkheid wringen.

Zoutzweren

De bijna-ontmoeting vormt net als de andere taferelen uiteindelijk een afdaling in het geheugen:

Ongebreideld zwierven ze door je hoofd, taferelen die in de diepte van een al lang verlaten zoutmijn waren uitgehouwen voor de vele kamers, de kilometerslange gangen die later vol water liepen en groepen, gedaanten oplosten

maar elders, in grauw winters licht, toch weer een vaste vorm wisten aan te nemen, bijna onherkenbaar veranderd na de zoutzweren van zovele ondergrondse jaren zochten ze een entourage geborgen genoeg

om eindelijk de tijd te begrijpen –

Uithollingen die al klaarliggen om het leven zich in te laten afspelen, suggereren voorbestemming, maar leggen vooral iets bloot van hoe het geheugen werkt: achteraf lijkt alles zo te hebben moeten gaan – dat het niet anders kon verlopen, is niet meer dan een indruk, maar wordt door Tentije met schitterende beelden uitgesponnen. Of zouden de gangen door het geheugen uitgesleten groeven zijn?

Een cyclus naar aanleiding van kunstwerken, zoals een tekening van Hans Holbein en een schilderij van Gerhard Richter, werpt minder vragen op. De lezer kan zich dankzij de aandachtige beschrijving weliswaar een voorstelling maken van de kunstwerken, maar alle spanning ontbreekt, mogelijk omdat de kunstwerken, anders dan wanneer de dichter zich verhoudt tot situaties uit zijn omgeving, al in de tijd zijn gestold: hier staat wat betreft het tijdsonderzoek weinig op het spel.

Wim Brands

Een conclusie als ‘versmald tot dit ene moment, deze naamloze, verbijsterde vrouw/ weigert het beeld verdere/ details of aanwijzingen prijs te geven’ lijkt toepasbaar op portretkunst in het algemeen, en heeft niet de uitwerking van gedichten waarin Tentije als kunstenaar een eigen werkelijkheid neerzet.

Een eigen werkelijkheid sprankelt in een postuum portret van Wim Brands. Ik zie hem zitten, als een te grote vogel in een boom, wanneer ik lees:

Hij zit bij windstil weer hoog tussen het zomerse gebladerte van een enkele wilde iep verscholen waar echt niemand hem kan zien, tot zover heeft hij het gered

de gedichten die hij schreef zijn vaak niet goed, soms bijna heel erg goed, er ligt een gelaten, wat ongemakkelijke melancholische zweem overheen, misschien brak hij daarom zijn regels op de raarste ogenblikken af –

het ritselt niettemin

Nergens wil dit gedicht opzichtig zijn, behalve misschien in de regelafbrekingen die in het tweede deel grappig genoeg gaan lijken op die van Brands. Er is geen woord vergezocht of vreemd. Toch is het een gedicht om niet te vergeten; dat bovendien de dichter die zelfmoord pleegde en zijn werk leven inblaast.

Er gaat iets waaien tussen ‘wilde’ en ‘iep’, tussen ‘echt’ en ‘niemand’, tussen het windstille begin en het ritselende slot. Er gebeurt bijna niets en er gaat de worsteling van een leven in voorbij. Het verstrijken van tijd wordt haast tastbaar. Dit kan alleen in een heel erg goed gedicht.