Opinie

Het lot van zijn doodzieke vrouw kan hem niets schelen

Michel Krielaars

Langlaufend door de sneeuwjacht waan ik me in Rusland. De gedempte witte wereld in het park tegenover mijn huis is verlaten, op een paar kauwtjes na die in het struikgewas naar voedsel zoeken, als in een gedicht van Josif Brodski. Terwijl ik voortploeg denk ik ineens aan het stadje Taroesa, op zo’n honderd kilometer ten zuiden van Moskou. De schrijver Konstantin Paustovski had er zijn datsja. Ik ben er een paar keer geweest, op bezoek bij zijn stiefdochter Galina Arboesova. En telkens genoot ik van het melancholieke landschap, dat Paustovski in bijna alle verhalen in het onlangs verschenen De muziek van de herfst schildert.

De sneeuwjacht voert me ook mee naar een andere schrijver, Joeri Kazakov (1927-1982). Tot vorige week had ik nog nooit van hem gehoord, maar hij blijkt een groot bewonderaar van Paustovski te zijn geweest. Je merkt het aan alles in de tien verhalen uit Ik huil en ik jammer, die door Monse Weijers mooi zijn vertaald en van een informatief nawoord voorzien. In het proza van Kazakov herken je niet alleen Paustovski’s liefde voor de onvoorspelbare natuur, maar ook die voor de gewone mens en zijn alledaagse sores.

In het titelverhaal jagen drie mannen in het bos op houtsnippen en eenden. Na afloop kletsen ze in een jagershut oeverloos over de liefde, de dood en het vergaan van de tijd. Met een paar glazen wodka op zegt een van hen, de filoloog en universitair docent Jelagin, dat de dood op een dag als een ‘ijzeren schoft’ op je borst gaat zitten en je dan begint te verstikken en ‘dat dan alle vreugde, ja alles, voorbij is’.

Door dat slappe geouwehoer hopen de drie mannen erachter te komen ‘hoe de mensen verder moesten leven’, iets waar ook Tsjechov het vaak over heeft. Maar anders dan bij hem biedt Kazakov hoop en laat hij Wanja, de jongste van de drie jagers, op een gegeven moment beseffen dat al dat gefilosofeer nergens op slaat: ‘waar het op aankwam was dat hij morgen een houtsnip of eend zou schieten.’

In het verhaal ‘Naar de stad’ voert Kazakov de hardvochtige timmerman Vasili op, die het liefst in de grote stad zou willen wonen. Hij blijft alleen in zijn dorp omdat zijn vrouw Akoelina er niet weg wil. Wrang is dat hij allang niet meer van haar houdt. Als Akoelina ernstig ziek wordt en naar het ziekenhuis in de stad moet, grijpt Vasili zijn kans. Hij vraagt aan de kolchozvoorzitter een paard te leen en rijdt in zijn boerenwagen, met Akoelina achterin, zijn geluk tegemoet. Het lot van zijn doodzieke vrouw kan hem niets schelen. Het gaat hem alleen om het vertier dat hem in de stad te wachten staat. Cynischer kun je een nadagen van een huwelijk niet beschrijven.

Ik herken Rusland ook in het verhaal ‘Manka’. Het is opgedragen aan Paustovski en gaat over een 17-jarige brievenbestelster, die op zee een avontuur beleeft met de rokkenjagende visser Perfili. Het broeit er van onbevredigd verlangen naar geluk. Op een andere manier kom je dat verlangen tegen in ‘Het vervloekte Noorden’. Na negen maanden op de Barentszzee zijn twee zeelieden met verlof in het decadente Jalta. Ze bezoeken het huis van Tsjechov, genieten van de mooie vrouwen en de drank. Maar algauw vervelen ze zich dood en verlangen ze terug naar het Noorden. Ze willen werken, omdat dat ieders ‘uiteindelijke taak’ in het leven is. In de sneeuwjacht zag ik ineens Tsjechovs ‘Drie zusters’ opdoemen. Werken wilden ook zij, maar ze kwamen nooit van hun plaats.