Recensie

Recensie Boeken

Een memoir die zich verstopt

Martin Amis Eigenlijk schreef Amis een roman die geen roman wil zijn, met een mengeling van verzonnen dialogen, herinneringen en beschouwingen.
Schrijver Martin Amis op 38-jarige leeftijd, in 1987 thuis in zijn werkkamer in Londen.

Schrijver Martin Amis op 38-jarige leeftijd, in 1987 thuis in zijn werkkamer in Londen.

Foto Ulf Andersen/ Getty Images

Martin Amis’ nieuwe roman is naar eigen zeggen de dikste die hij ooit geschreven heeft, en misschien de laatste. Hij is dan ook al 71. Dat is even schrikken, al moet gezegd dat bij zijn laatste romans de sleet er wel een beetje op zat, al is hij nog steeds een goede, wat narrige stilist.

Uit de eerste hand is een mengeling van fictie, non-fictie, herinneringen en beschouwingen. De kern van de roman (je zou kunnen zeggen: het dunne boek dat in het dikke boek verborgen zit) wordt gevormd door de persoonlijke verslagen over de laatste jaren van Amis’ vrienden Saul Bellow en Christopher Hitchens.

De Amerikaanse schrijver Bellow (1915-2005) was een dierbaar voorbeeld voor Amis. Journalist en publicist Hitchens was een leeftijdgenoot, die in 2011 stierf aan slokdarmkanker. Amis en hij kenden elkaar al vanaf hun studententijd. Bellow die wegzakt in dementie, Hitchens die zijn ziekte lange tijd laconiek recht in de ogen kijkt – het levert verslagen op die op ingehouden wijze de schrijnende ellende niet uit de weg gaan. Je voelt de vriendschap en de bewondering, en daardoor voel je ook de rouw en het gemis.

Maar Uit de eerste hand omvat meer. Amis heeft de kern van zijn roman omkleed met beschouwingen (over literatuur, over 9/11) en een uitgebreid verslag van de verhouding die hij eind jaren zeventig gehad zou hebben met ene Phoebe Phelps, een vrouw met een verleden dat slechts langzaam aan het licht komt. Die verhouding is verzonnen, en dat geldt dus ook voor de kroeggesprekken tussen de vrienden Amis en Hitchens waarin ze de relatie bespreken. Op zich is dat wel een interessante literaire kunstgreep: juist door ze een fictieve basis te geven, kun je de essentie van gesprekken tussen vrienden weergeven, beter dan wanneer je je op je herinnering moet verlaten. Maar interessante kunstgrepen leveren niet altijd interessante literatuur op: verzonnen of niet, het blijven kroeggesprekken, met meer bravoure dan inhoud.

Er zit veel literatuur in dit boek. Terwijl hij zich rechtstreeks tot de lezer richt, doceert Amis over de ontwikkeling van de roman, behandelt hij het verschil tussen ‘verhaal’ en ‘plot’, en concludeert hij somber dat de ‘onbetrouwbare verteller’ heeft plaatsgemaakt voor de ‘onbetrouwbare lezer’. Ook geeft hij daadwerkelijk schrijftips, alsof we opeens in een cursus op de Schrijversvakschool zijn beland. De tips zijn schools, en zeker voor de Nederlandse lezer niet altijd interessant. (Wanneer gebruik je ‘who’ en wanneer gebruik je ‘whom’? Amis legt het uit.)

Doorgebroken schrijfster

Elders zegt hij dan weer verstandige dingen, bijvoorbeeld wanneer hij in navolging van Nabokov stelt dat alle goede schrijvers grappig zijn. ‘Hoewel jouw docent misschien iets heel anders heeft beweerd, is ook Franz Kafka grappig.’ Later gaat hij daar verder op in, naar aanleiding van de ontvangst in Duitsland van Het interessegebied, zijn roman uit 2014 over Auschwitz. Die ontvangst was negatief, omdat de schrijver ‘zich had bezondigd aan satire’, en volgens Duitse recensenten ging humor niet samen met ernst. Maar ‘feit is dat ernst – en moraal en zelfs geestelijke gezondheid – zonder humor helemaal niet kunnen bestaan’. Waarvan akte.

Naast Bellow en Hitchens is er nog een schrijver die vaak wordt genoemd: de dichter Philip Larkin, een vriend van Amis’ vader, Kingsley Amis. Als Bellow en Hitchens de helden zijn van deze roman, is Larkin de schurk. Hij speelt zelfs nog een rol in het (op een anticlimax uitlopende) plotje van het verhaal over Phoebe Phelps. De roman bevat ook nog mooie herinneringen aan de hier onlangs doorgebroken schrijfster Elisabeth Jane Howard, die enige tijd de stiefmoeder van Amis was.

Dit is geen boek voor lezers die Amis’ werk niet goed kennen. Die kunnen beter hun toevlucht zoeken tot zijn romans uit de jaren tachtig (Geld, London Fields) of helemaal bij het begin beginnen, bij de opnieuw uitgebrachte vertaling van zijn debuutroman Rachel. Een document . Voor wie Amis’ carrière de afgelopen decennia met plezier of hartstocht heeft gevolgd, is dit op z’n minst een interessante leeservaring. Uit de eerste hand is een memoir die zich verstopt, een roman die geen roman wil zijn. Als om dat laatste te benadrukken bevat het een register en veel voetnoten, waarin ook van alles wordt verteld. Het is een boek waarmee je voortdurend in discussie gaat: ‘Waarom doe je dit, waarom kies je híérvoor, het zou veel ontroerender/ leuker/ korter zijn als je…’ Misschien is dat wel precies waar de schrijver je wil hebben: je gaat nadenken over zowel vorm als inhoud van deze roman, en de roman in het algemeen.