Reportage

Jaco Boshoff blijft jagen op slavenschip de Meermin

Zuid-Afrika De ondergang van het slavenschip de Meermin staat symbool voor de opstand van de slaafgemaakte Afrikanen. Archeoloog Jaco Boshoff zoekt al jaren vergeefs naar het wrak van het schip.

De Meermin liep vast in de monding van de Heuningsnesrivier, in wat nu natuurreservaat De Mond is. Jaco Boshoff hoopt hier ergens het wrak te vinden.
De Meermin liep vast in de monding van de Heuningsnesrivier, in wat nu natuurreservaat De Mond is. Jaco Boshoff hoopt hier ergens het wrak te vinden. Foto Iziko Museums

Hoe groot het Nederlandse aandeel was in de slavenhandel langs de kust van Zuidelijk Afrika? Archeoloog Jaco Boshoff slaakt een diepe zucht bij die vraag, verbaasd dat daar nog twijfel over moet bestaan. „Big!”, roept hij uit. Op de zesde verdieping van het gebouw op de hoek van Spinstraat loopt hij langs de onweerlegbare bewijzen die hij in de afgelopen jaren opdook op de bodem van de twee oceanen rond Kaap de Goede Hoop. Bakken vol met natriumhydroxide moeten de roest stoppen van de objecten die hij aantrof. Slavenkettingen, koperen spijkers, kanonskogels, scheepsbellen. Accessoires die hij vond in de wrakken van gezonken slavenschepen. „In de zeventiende en achttiende eeuw werd de Kaap zo goed als volledig gerund door slaafgemaakten. Dat begon meteen na de aankomst van Jan van Riebeeck. Hij had goedkope arbeid nodig.” De heren van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) hadden Van Riebeeck in 1652 naar de Kaap gestuurd om een verversingsstation te bouwen voor de scheepsroute tussen Afrika en Azië. Tuinen aanleggen tegen scheurbuik. Bomen kappen voor hout om schepen mee te repareren. De bewoners van de Kaap, de Khoi en de San, lieten hun vee grazen op die grond. Zij weigerden dat werk te doen, of stierven aan de ziektes die de VOC’ers uit Europa meenamen. „Van Riebeeck moest zijn arbeiders van elders halen.”

Jaco Boshoff leeft met zijn hoofd in die tijd. Een groot deel van zijn 30 jaar als archeoloog bracht hij onder water door. Hij vond niet alleen Nederlandse schepen. Voor de kust van Kaapstad, aan de stranden van Clifton, legde zijn team in 2015 het wrak van het in 1794 gezonken Portugese slavenschip San José bloot. Maar zijn levenswerk, zijn heilige graal, dat is het Nederlandse schip de Meermin, dat in 1766 voor de Kaapse Zuidkust verging. „De Meermin is een symbool van verzet en verrijzenis. Daarom is het voor Zuid-Afrikanen zo’n belangrijk verhaal.”

De Meermin is een driemaster van het type ‘hoeker’ die in 1759 in opdracht van de VOC in Amsterdam is gebouwd met één voorname taak: het vervoeren van slaven naar de Kaap. In december 1765 vaart het schip van Kaapstad naar het eiland Madagaskar, een transitpunt voor de mannen en vrouwen die in Oost-Afrika zijn gevangen en tot slaaf gemaakt. De 56-koppige Nederlandse bemanning staat onder gezag van kapitein Gerrit Muller, die op 20 januari 140 Malagassiërs koopt en op de Meermin laadt. „Wat Muller niet weet is dat zich onder die gevangenen een aristocraat met de naam Massavana bevindt. Massavana is een welvarende jongeman. De koning in dat deel van Madagaskar is jaloers op Massavana en heeft hem met een smoesje naar de haven gelokt om naar het Nederlandse schip te komen kijken. Als hij in het paleis aankomt, nemen soldaten hem gevangen en verkoopt de koning hem aan de Nederlanders”, vertelt Boshoff. Massavana zou de spil worden in een van de bekendste slavenopstanden die ooit door de boekhouders van de VOC zijn opgetekend.

Madagaskar

Het schip vaart op 20 januari 1766 uit. Na twee dagen op volle zee overtuigt slavenhandelaar Johann Krause kapitein Muller om de luiken van het benedendek te openen en Malagassiërs de reis op het dek te laten voltooien. Hij verlost ze uit hun ketenen. „Niet uit mededogen, maar omdat hij bang is dat zijn handelswaar anders niet gezond aankomt in de Kaap. Dit was niet ongewoon op slavenschepen”, benadrukt Boshoff. Krause zet ze aan het werk. De mannen moeten de zeilen in de gaten houden, de vrouwen moesten dansen en zingen voor de bemanning. Een knecht van Krause heeft nog een klusje voor ze. Op Madagaskar hebben de Nederlanders assagaaien gekocht, speren, om als souvenirs mee terug te nemen naar Amsterdam. Hij vraagt de Malagassiërs de speren schoon te maken. Volgens de archieven van de VOC besluit Krause dan benedendeks te gaan om te lunchen. Als de Malagassiërs klaar zijn en ze de speren moeten inleveren, vallen ze de bemanning aan. Krause is de eerste die wordt gedood. Onder commando van de aristocraat Massavana wordt de helft van de bemanning vermoord en over boord gegooid. De overlevende Nederlanders verbergen zich benedendeks in de kanonnenkamer, en doen de luiken op slot.

Lees op de site van Museum Iziko over het verhaal van de Meermin

De muitende Malagassiërs hebben nu de controle over een schip, maar beseffen al snel dat ze zonder ervaring met navigatie verloren zijn. Nadat het schip drie dagen stuurloos op de oceaan heeft gedobberd, besluiten de muitende Malagassiërs een deal te sluiten met de Nederlanders. De Nederlanders worden ontketend, mits ze het schip terugvaren naar Madagaskar. De Nederlanders beloven dat plechtig, maar sturen de Meermin stiekem terug naar de Kaap, overtuigd dat hun gevangenbewaarders het niet doorhebben.

Duikers bij het wrak van het Portugese slavenschip San José, dat Jaco Boshoff in 2015 vond.
Foto Iziko Museums
Duikers bij het wrak van het Portugese slavenschip San José, dat Jaco Boshoff in 2015 vond.
Foto Iziko Museums

‘Ernstige nalatigheid’

Ze laten het schip in Struisbaai voor anker gaan, zo’n tweehonderd kilometer voor de haven van Kaapstad. Het gebied is nauwelijks bebouwd. De Malagassiërs vertrouwen het niet en sturen een sloep met 18 verkenners naar de wal om te controleren of ze inderdaad in Madagaskar zijn aangekomen. Aan wal hebben zich witte boeren uit de streek verzameld, die zien dat het schip zonder vlag vaart. Ze ruiken onraad. De boeren vormen een gewapende militie en nemen de Malagassiërs gevangen. Als de achtergebleven Malagassiërs in de gaten krijgen dat ze worden bedonderd, snijden ze het anker los en loopt de Meermin vast in de riviermond. Na een impasse van weken worden de 99 overlevende Malagassiërs overmeesterd en naar Kaapstad gebracht. De meesten worden alsnog verkocht. De leiders van de muiterij worden gevangengezet op Robbeneiland. „De naam van Massavana ben ik nog een paar keer tegengekomen in de archieven van de gevangenis op Robbeneiland. Daarna niks meer. Waarschijnlijk is hij daar gestorven”, zegt Boshoff. Kapitein Muller en het enige andere overlevende bemanningslid worden door de VOC-rechtbank veroordeeld wegens „ernstige nalatigheid” en ontslagen. De getuigenissen van de verdachten worden genoteerd door de griffier van de rechtbank, die zo de details van het verhaal conserveert voor de volgende generaties.

In samenwerking met het Smithsonian museum in Washington jaagt Boshoff al jaren op het wrak van de Meermin voor het Slave Wrecks Project. Zijn werkgever, het Iziko Slave Lodge Museum, is gevestigd in de voormalige herberg waarin slaafgemaakten werden vastgehouden. Aan de overkant van het Iziko Social History Resource Centre, waar Boshoff zijn laboratorium heeft, staat de ‘Slavenboom’. Daar werden de Kaapse slaafgemaakten verkocht aan de boeren in de streek. De onderzoekers schatten dat er wereldwijd zo’n 600 wrakken van slavenschepen te vinden zijn.

Het verhaal van de Meermin is een symbool van verzet en verrijzenis

Boshoff is ervan overtuigd dat ergens in de duinen van Struisbaai nog resten van de Meermin te vinden moeten zijn. De vier ankers, de kanonnen, de speren: „dat zou toch de smoking gun zijn”, droomt hij hardop. Een tekening van de Meermin kreeg hij in 2008 van het Scheepvaartmuseum in Amsterdam. Die tekening gebruikt hij als zijn schatkaart. Andere historici verklaren hem voor gek. Historicus Dan Sleigh schreef samen met Piet Westra De opstand op het slavenschip Meermin. Ze vonden een document dat zou bewijzen dat het wrak is verkocht en gestript. Maar Boshoff laat zich niet van de wijs brengen. Hij is ervan overtuigd dat het document betrekking had op een ander wrak. Hij graaft al jaren met geavanceerde apparatuur in de duinen, die voortdurend in beweging zijn en alle bestaande kaarten uit die tijd onbruikbaar maken. Hij moet en zal het vinden.

Van Riebeeck

Die belangstelling in Zuid-Afrika voor slavenwrakken als de Meermin kwam pas na de val van apartheid in 1994 op gang. „De Meermin sprak tot de verbeelding: strijd, opstand. Ik zeg altijd dat de oorsprong van apartheid in slavernij ligt. De beste manier om de zwarte bevolking onder de duim te houden, is door ze te ontmenselijken, primitief te maken. Om maar te kunnen zeggen: ze zijn niet als wij.”

Boshoff is niet het type activist. Hij is een archeoloog, een wetenschapper en ook een witte Afrikaner, met een achternaam die veel voorkomt onder boeren, die nog wel eens willen mijmeren over de goede oude apartheidstijd. Met zijn familie heeft hij daarom nauwelijks nog contact. Over slavernij voert hij liever geen discussies. „Ik kies mijn woorden altijd zorgvuldig. Maar we moeten ons eigen verleden goed begrijpen. De Groote Trek waarin de Afrikaners van de Kaap naar het Oosten van Zuid-Afrika trokken, kwam pas op gang toen de slavernij in de Kaap in 1834 werd afgeschaft. Ze vluchtten naar Mozambique om hun slaven dan maar zelf te halen.”

Zuid-Afrikaanse politici praten graag over de desastreuze gevolgen van apartheid maar zelden over slavernij. Toen de inmiddels afgetreden president Jacob Zuma in de problemen zat in 2015, gaf hij de Nederlandse VOC-voorman Jan van Riebeeck de schuld. „Alle problemen begonnen met Van Riebeeck”, zei hij toen. Maar toen premier Mark Rutte later dat jaar Zuid-Afrika bezocht, hoefde hij van Zuma geen verontschuldigingen aan te bieden namens Nederland. „Van Riebeeck was maar één man”, zei Zuma. Tijdens de studentenopstanden op de universiteiten die rond dezelfde tijd uitbraken, werd wel fel geageerd tegen het voortgaande koloniale denken op universiteiten, en het gebrek aan benoemingen van zwarte professoren en lesmateriaal van zwarte denkers. Maar de geschiedenis van slavernij wordt in dit land vooral gelinkt aan de bewoners van de Kaap, die onder apartheid als ‘kleurlingen’ werden bestempeld en nauwelijks politieke vertegenwoordiging hebben.

De opleving in de belangstelling voor het slavernijverleden vlak na de apartheid bleek ook maar kort. Zuid-Afrika heeft andere dingen aan zijn hoofd. Toen Boshoff in 2012 een belangrijke conferentie over archeologie en het slavernijverleden bezocht, was hij de enige aanwezige Zuid-Afrikaan. Inmiddels houdt hij het onderzoek met moeite in stand. „We zijn nu alleen maar aan het overleven”, zegt hij in zijn laboratorium, een mondkapje strak om zijn mond gespannen. De stranden zijn op last van de regering gesloten. Onderzoekers moeten binnen blijven. Maar de Meermin zal boven komen, zweert Boshoff.