‘Wij dragen de erfenis van vrijheidsstrijders met ons mee’

Kaaimangrasi Waar hun voorouders al eeuwen woonden en waar Kapitein Broos streed tegen de Nederlanders, vertellen Ronald Babel en Konrad Acton over de kaaiman met gras op zijn rug en hun plannen voor de toekomst.

Konrad Acton in het bos bij plantage Rorac. Op de achtergrond de houten gebedsplaats met kleurige pangi’s.
Konrad Acton in het bos bij plantage Rorac. Op de achtergrond de houten gebedsplaats met kleurige pangi’s. Foto Idi Lemmers

Een lichte nevel hangt over het uitgestrekte moerasgebied. Dode bomen steken boven het water uit, krijsende papegaaien vliegen over. Op rubberen kaplaarzen baan ik me een weg door zware modderplassen, hoog gras en waterlelies en probeer niet weg te zakken. „Kaaiman, sori yu fesi, Kaaiman, laat je zien”, roept mijn reisgenoot met een lange uithaal in zijn stem en een fototoestel in de aanslag. „Kaaiman, sori yu fesi!” Maar de oude kaaiman met gras op zijn rug, zoals de overlevering vertelt, laat zich niet zien in het moeras dat naar hem vernoemd is.

Een uur eerder, vlak voor een hevige sibi busi (tropische regenbui) en twintig kilometer verderop. Ronald Babel (63) en zijn neefje Konrad Acton (30) staan bij een bord voor de ingang van plantage Rorac. Onder een aardekleurig afdakje staat de tekst: ‘Plantage Rorac, Nazaten Broos en Kaliko’. Eronder wordt in tekst uitgelegd dat in 1863 de plantage Rorac bij Koninklijk Besluit geschonken werd aan de Brooskampers, o.l.v. Kapitein Broos. Konrad Acton steekt zijn pijp op en trekt een geel-bordeauxkleurige pangi (doek) over z’n schouders. „Ik ben er trots op”, zegt de fors gebouwde dertiger met een statige stem, „dat ik een afstammeling ben van Broos en zijn broer Kaliko. Broos, mijn betovergrootvader, was de leider van de Brooskampers, een marrongroep die zich in deze omgeving schuilhield. Het is de Nederlandse kolonisten nooit gelukt om hen te overmeesteren. Mijn voorouders konden zich met obia’s (spirituele krachten) beschermen tegen aanvallen van de witte overheersers. De strijdkracht van mijn voorouders voel ik nog steeds.”

Luister donderdag 11 februari naar de podcast Vandaag met Nina Jurna over Kapitein Broos en zijn nazaten

Naast hem staat zijn oom Ronald Babel, ook een directe afstammeling. Hou de foto van Kapitein Broos naast het gezicht van Ronald Babel en de gelijkenis is overduidelijk. „We dragen de genen van Broos. Kijk naar onze familieleden, neven en nichten met de achternamen Babel, Landveld, Meiland en Deekman, dan zie je dat we op elkaar lijken”, lacht hij.

Vandaag gaat Ronald Babel op plantage Rorac zijn bananen-aanplant bewerken. De nazaten proberen de plantage nieuw leven in te blazen nu het mijnbouwbedrijf Suralco, dat hier decennialang naar bauxiet zocht, is vertrokken.

Het bord bij de ingang van plantage Rorac: „Nazaten Broos en Kaliko.”
Foto Idi Lemmers
Het bord bij de ingang van plantage Rorac: „Nazaten Broos en Kaliko.”
Foto Idi Lemmers

Verderop op de plantage, onder het golfplaten dak van een open gemeenschapsruimte, nestelen Ronald Babel en Konrad Acton zich op een houten bankje en vertellen het fascinerende verhaal van de onverslaanbare vrijheidsstrijder en laatste marronleider Kapitein Broos Babel (1821-1880). „Ze werden de Brooskampers genoemd”, zegt Acton en hij neemt een trekje van zijn pijp. „Rondom de Surnaukreek, die tussen de Surinamerivier en de Commewijnerivier ligt hadden onze voorouders hun kamp in een moerasgebied. Ze waren de plantages ontvlucht, leefden in vrijheid en probeerden zich te beschermen tegen aanhoudende overvallen, moordpartijen en patrouilles door Nederlandse kolonisten.”

Ronald Babel schraapt zijn keel en zegt met luide stem: „Mi na bakabusi nengre mi no e frede no wan man, ik ben de man van achter het bos en ik ben voor niemand bang. Dat was hun strijdkreet en we kennen die nog steeds. In moeilijke tijden zeg ik het hardop om mezelf moed in te spreken.”

Tijdens de trans-Atlantische slavenhandel transporteerden Nederlandse slavenhalers meer dan een kwart miljoen Afrikanen naar Suriname. Verzet en strijd onder de slaafgemaakten is er altijd geweest. Ontsnapte plantageslaven, de marrons, vluchtten het Surinaamse oerwoud in en stichtten hier eigen leefgemeenschappen. De kolonisten voerden bloedige expedities uit om de marrons weer in slavernij te brengen. De bekendste marronleider Boni (1730-1793) hield lange tijd stand tegen de kolonisten en viel in het oosten van Suriname verschillende plantages aan om anderen te bevrijden.

Mi na bakabusi nengre mi no e frede no wan man, ik ben de man van achter het bos en ik ben voor niemand bang

Rond 1760, ruim honderd jaar voor de afschaffing van de slavernij, leefden er naar schatting rond de vijfduizend marrons in het Surinaamse oerwoud. Om de aanhoudende aanvallen op de plantages tegen te gaan, sloten de kolonisten dat jaar vrede met een aantal marrongroepen. Zij behielden hun vrijheid en zouden niet meer worden aangevallen, mits ze nieuwe vluchtelingen zouden uitleveren aan het koloniaal regime. Ondertussen bleef het vluchten vanaf de plantages doorgaan.

Konrad Acton stopt zijn pijp.
Foto Idi Lemmers
Konrad Acton stopt zijn pijp.
Foto Idi Lemmers

Halverwege de achttiende eeuw vestigden de eerste Brooskampers zich in Kaaimangrasi. Het moeras was een strategische plek met verborgen ingangen en uitvalswegen. Regelmatig voerden de Nederlandse kolonisten aanvallen uit. Tijdens zulke expedities vochten behalve soldaten en huurlingen ook redi musu’s mee. Dit waren gerekruteerde slaven die rode baretten (redi musu) droegen. Hun werd een premie en vrijheid beloofd als ze marrons gevangen namen of hun handen afhakten. Tegenwoordig wordt in Suriname met een redi musu een verrader bedoeld.

„Onze voorouders bouwden hun fort Akata rond het moeras”, zegt Konrad Acton terwijl de eerste regendruppels vallen en binnen vijf minuten een tropische regenbui neerstort op het diepgroene oerwoud. „Volgens de orale vertelling leefde er een oude krokodil (kaaiman) in het moeras met gras op zijn rug. Hij hielp de gevluchte slaven het verraderlijke moeras over te steken. Ze klommen op zijn rug en de kaaiman bracht ze naar de overkant. Vandaar dat het gebied Kaaimangrasi (kaaimangras) wordt genoemd.” Ronald Babel knikt en vult het verhaal aan. „Het is de Nederlandse kolonisten nooit gelukt om het kamp van Broos en Kaliko te vinden. Zij werden aangevallen door de kaaiman, ze verdronken of bleven vastzitten in de modder. Broos en zijn groep hadden spirituele gaven en hadden de natuur aan hun kant.”

Bovennatuurlijk

Tussen de mist boven Kaaimangrasi tuur ik over het water naar de overkant. Wat zou kapitein Steenberghe gedacht hebben toen hij hier, begin november 1862 met zeventig militairen, huurlingen en redi musu’s stond? Hun doel was om het kamp van Broos en Kaliko te vernietigen. Het zou de grote aanval moeten worden op deze laatste marrongroep, voordat de slavernij in 1863 zou worden afgeschaft. Ze hadden wapens, munitie en kanonnen bij zich. Toen ze bij het moeras aan kwamen, lukte het de militairen met geen mogelijkheid over te steken. De Brooskampers versloegen het expeditieleger, dankzij, zo vertelt de orale geschiedenis, bovennatuurlijke krachten. Amuletten gaven de strijders bescherming tegen de kogels en met kruidenbaden konden ze zich onzichtbaar maken.

Ronald Babel en Konrad Acton vertellen over Rorac, sinds 1863 hun familiebezit.
Foto Idi Lemmers
Foto Idi Lemmers
Foto Idi Lemmers
Boven: Ronald Babel en Konrad Acton vertellen over Rorac, sinds 1863 hun familiebezit. Op de twee foto’s onder het moeras Kaaimangrasi.
Foto’s Idi Lemmers

Konrad Acton loopt over de natgeregende bladeren in het bos bij Rorac naar een houten stellage waar gekleurde pangi’s hangen. Hier houden de nazaten hun rituelen en roepen ze in gebeden de voorouders aan. Ze komen regelmatig bij elkaar voor winti-bijeenkomsten, de Afro-Surinaamse religie van voorouderverering. Tijdens zo’n wintiprei wordt aan de voorouders raad gevraagd. Bijvoorbeeld als er grote beslissingen moeten worden genomen of als er problemen zijn. Het zijn meestal de ouderen die via trance, de winti (de geest) krijgen van een van de voorouders.

Zo kon het gebeuren dan Ronald Babel in 2007 zag hoe Kapitein Broos ineens ‘verscheen’. „Onze oudste tante Melina is nu bijna honderd en slecht ter been. Tijdens een wintiprei raakte ze in trance. Plotseling tilde ze haar voeten soepel van de grond en zette ze met grote passen, stampvoetend, met een dreun weer neer. Ze sprak met een zware, rustige stem. Voor mij was dat het bewijs dat Broos zich via haar aan ons presenteerde. We luisterden naar zijn boodschap.”

Het verhaal van Broos en Kaliko werd in 1996 opgetekend door de Nederlandse antropoloog Wim Hoogbergen in het boek Het kamp van Broos en Kaliko. De familie beleeft de geschiedenis vooral via de orale verhalen en de voorouderverering. „Het gaat erom dat wij als nazaten beseffen dat ook wij een verantwoordelijkheid hebben om op onze manier strijders te zijn. Onze voorouders vochten zich vrij uit slavernij en hebben zich nooit gewonnen gegeven aan de onderdrukkers. Wij dragen de erfenis van vrijheidsstrijders met ons mee”, zegt Acton.

Bauxietmijnen

Na de mislukte laatste aanval bij Kaaimangrasi probeert het koloniaal regime tot een akkoord te komen met de Brooskampers. Na bemiddeling van zendelingen trekt Broos in zondagse kleding naar Paramaribo voor de besprekingen. Een foto die toen is gemaakt in het toenmalige gouvernementspaleis bewerkte kunstenaar Remy Jungerman, zelf een nazaat van Broos, in 2006 tot een collage met zeefdruktechniek. Acton: „Broos was een man van dialoog, van praten, anders was hij nooit met de Nederlanders gaan onderhandelen. Ook dat is een boodschap voor de generatie van nu.”

Foto van Kapitein Broos op een zeefdruk uit 2006 van Remy Jungerman. Remy Jungerman

Er komt vrede en bij Koninklijk Besluit wordt besloten dat Broos en zijn groep – inmiddels zo’n tweehonderd personen – de twee verlaten plantages Rorac en Klaverblad aan de Surinamerivier krijgen. Ze trekken zich terug uit het moeras en vestigen zich op de plantages. Als begin twintigste eeuw bauxiet gevonden wordt krijgen de families van de overheid een premie om zich elders in Suriname te vestigen. Wel blijven ze de graven van de voorouders bezoeken en mogen ze hun rituelen op Rorac uitoefenen.

Als er vervolgens op Rorac maar ook bij Kaaimangrasi gemijnd gaat worden, gebeuren er plotseling vreemde dingen. „Machines vlogen zomaar in brand en werknemers overleden op onverklaarbare wijze ”, zegt Ronald Babel. „Rondom het moeras worden de werknemers aangevallen door zwermen bijen. Het mijnbedrijf is radeloos en raadpleegt de familie.” De kracht van Broos hing nog over Kaaimangrasi, denkt hij, en er moest eerst via een wintiprei toestemming worden verleend zodat vreemden er aan de slag mochten gaan. „Vanaf dat moment waren er geen problemen meer.”

Natuurhistorisch park

Inmiddels zijn na jaren van mijnbouw de werkzaamheden gestopt en is de plantage weer in handen van de nazaten. „We weten nog niet hoe vervuild dit gebied is door de mijnbouw, en hoe het moeras eraan toe is. Maar onze droom is om hier een natuurhistorisch park te maken, waarbij we het verhaal van onze voorouders vertellen, onze gewassen planten en als familie altijd een thuis hebben”, zegt Babel terwijl hij door de stromende regen naar zijn landbouwterrein loopt.

Kaaimangrasi is glibberig geworden door de tropische bui. Ik wil wegrijden maar de auto slipt de modder in, we zitten vast. Snel plukken we het hoge gras uit de zwamp en plaatsen het voor de autobanden. Het gras van Kaaimangrasi bewijst nog steeds zijn nut, en de natuur blijkt ons goed gezind, ik geef gas en rij weg.