Opinie

Altijd nieuw

Ellen Deckwitz

Zondagmiddag ging ik met de neef (12) naar het park, waar diverse jonge dieren uit hun dak gingen door het winterweer. Overal stoven puppy’s en kleuters uitzinnig door de vlokken. Ik stond erbij met een grijns die zo breed was dat het leek alsof ik die nacht met een kleerhanger in mijn mond had geslapen, en de neef lachte.

„Dat je nog steeds zo blij wordt van sneeuw”, zei hij.

„Hoezo?” zei ik, „sneeuw is toch geweldig?”

„Ja, maar als je zo oud bent als jij ben je er toch op een zeker moment ook wel op uitgekeken?”

„ZO OUD ALS IK?!”

„Ja, dat gebeurt gewoon als je ouder bent”, zei hij zalvend. „Ik vind het leuk dat je nog steeds zo enthousiast kan zijn over iets wat je al lang kent. Ik ben bang dat ik op een gegeven moment niet meer zo blij word van dat soort simpele dingen, omdat ik eraan gewend ben.”

„Oh, maar dan moet je veel gedichten lezen”, zei ik, waarop de neef vermoeid zuchtte, zoals altijd wanneer ik begin te evangeliseren voor de poëzie.

„Nee echt”, hield ik vol, „want daardoor kun je opeens heel anders tegen vertrouwde zaken aan kijken. Rutger Kopland schreef eens dat wanneer het gesneeuwd heeft, een landschap verdwijnt in een landschap.”

Daar dacht de neef even over na, en gaf vervolgens toe dat dat wel een aardige gedachte was.

„Of kijk”, zei ik en wees naar een boom waarvan de toppen helemaal wit waren, „de Amerikaanse dichteres Anne Sexton zou zeggen dat elke tak ‘de sok van God’ draagt, omdat ze bekleed zijn met iets dat uit de hemel komt!”

„Doe er nog eens een”, mompelde hij.

„De Noorse dichter Rolf Jacobsen noemt in een van zijn gedichten sneeuw een grote vriendelijke hond die je vrolijk tegemoet komt en gehoorzaam voor iedere deur gaat liggen.”

„Ah, dat vind ik een leuke”, zei de neef, die bij wijze van spreken al sinds zijn geboorte zeurt om een labrador. „Eentje nog, om het af te leren.”

„Herman de Coninck heeft een heel mooi gedicht, ‘Februari’, waarin hij de winterzon een koelkastlampje noemt. Dat is toch geweldig.”

„Ja”, zei de neef blij, „en nu snap ik ook dat je nog steeds hyper kan worden om alledaagse dingen, zelfs op jouw leeftijd, want gedichten zijn een soort lenzen, die het licht steeds op een andere manier filteren.”

En zo sloften we verder door het wit, dat zich maar bleef verversen, met ieder gedicht dat je erop losliet.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.