Wat kunnen journalisten leren van de Toeslagenaffaire?

Boek Jesse Frederik In de slipstream van de discussie over de Toeslagenaffaire staat ook de journalistiek ter discussie. Bijvoorbeeld in een nieuw boek dat deze dinsdag het licht ziet. Hebben de critici een punt? Bas Haan, Joris Luyendijk en Zoë Papaikonomou reageren.

Beeld Getty Images

„Eigenlijk is het best gek”, zegt Zoë Papaikonomou, wanneer ze wordt gevraagd terug te blikken op de rol die media speelden in de Toeslagenaffaire. „De politiek stelt een onderzoekscommissie in, de rechtspraak bekijkt uitvoerig haar eigen rol, maar in de journalistiek gaan we gewoon weer door naar het volgende grote verhaal.” En dat terwijl het juist de journalistiek was die een grote rol speelde in de kwestie over burgers die door de Belastingdienst ten onrechte als fraudeurs zijn behandeld. „Gelukkig maar, dat de journalistiek in deze zaak grondig door bleef vragen. Maar toch: we oefenen echte macht uit. Met de woorden die we gebruiken, de mensen die we wel en niet aan het woord laten en de vragen die we stellen. Maar wie corrigeert ons?” Papaikonomou is journalist en co-auteur van Heb je een boze moslim voor mij?, over diversiteit op redacties.

„Wat een platitudes”, stelt journalist Bas Haan van Nieuwsuur daar tegenover. „Er zijn best redenen om vragen te stellen bij het journalistieke bedrijf. Het is soms te hijgerig, de competitie is soms te groot en we blijven soms te veel aan de oppervlakte. Maar dit is precies de verkeerde casus om dat punt te maken. De journalisten die in deze affaire vooroplopen – Pieter Klein van RTL en Jan Kleinnijenhuis van Trouw – verdienen juist alle lof.”

Zie hier de twee meest voorkomende opvattingen in de nasleep van de Toeslagenaffaire, wanneer journalisten het erover hebben. Deze dinsdag verschijnt Zo hadden we het niet bedoeld, van De Correspondent-auteur Jesse Frederik. Een reconstructie met de ambitie van een systeemanalyse, waarin nadrukkelijk ook de rol van media wordt meegenomen. Frederik bekritiseert de gretigheid waarmee media in 2014 de Bulgarenfraude bombardeerden tot grootschalige uitkeringsfraude, het gebrek aan media-aandacht voor het wetgevingstraject en de eenzijdige aandacht voor wanpraktijken bij de fraude-opsporing van de Belastingdienst bij de onthulling van de Toeslagenaffaire.

Lees ook: Kritiek op artikel Toeslagenaffaire van De Correspondent

Een voorpublicatie uit dit boek, aan de vooravond van de verhoren van de parlementaire onderzoekscommissie, november vorig jaar, deed al stof opwaaien. Pieter Klein beet van zich af in een 25 pagina’s tellend verweer, dat bijval kreeg van veel prominente collega’s. Bas Haan, zelf meermaals gelauwerd vanwege onder andere zijn onthullingen inzake de zogenoemde Teevendeal, schaarde zich vierkant achter Klein. „Wat Frederik doet is naar beneden pissen, bijvoorbeeld op zijn collega’s die naar eer en geweten het dag-tot-dag-nieuws verzorgen. Met dit boek ontpopt hij zich bovendien tot actievoerder, in plaats van journalist.”

Een uitnodiging van NRC voor een rondetafelgesprek met criticaster Frederik werd geweigerd door de betrokken journalisten. Ze zeiden ieder afzonderlijk geen behoefte te hebben aan een gesprek, vanwege Frederiks journalistieke methodes en omdat het in zo’n gesprek te veel over moeilijk navolgbare details zou gaan.

Papaikonomou: „Dit vind ik nu zó jammer. Als er al een keer aan reflectie wordt gedaan ontaardt het in een strijd tussen ego’s. Zo leer je als beroepsgroep nooit iets.”

In een poging het welles-nietesgehalte van de vorige ronde in deze discussie te ontstijgen blikken we nog eenmaal terug, aan de hand van een drietal verwijten aan de media. Behalve Haan en Papaikonomou denkt ook Joris Luyendijk mee, de antropoloog die naam maakte als auteur van veelbesproken boeken over onder meer Midden-Oostenjournalistiek en Haagse journalisten.

Waar de drie collega’s in elk geval enige consensus over hebben is dat het verwijt van onder anderen Pieter Omtzigt aan het adres van politici en journalisten hout snijdt. „De Teslarijder weet ons te vinden”, zei het CDA-kamerlid tijdens een lezing. „De boeren weten ons te vinden. De Conservatrix-gedupeerden weten ons te vinden. Maar deze groep [de gedupeerden van de Toeslagenaffaire, red.] hebben we allemaal gemist.”

1 Gebrekkige antennes

„Journalistiek had lang geen oog voor de zwaksten, de niet-mondigen.” – Pieter Omtzigt in een lezing in Nieuwspoort, 27 januari 2021

Luyendijk: „Ik moest meteen denken aan de schuldenproblematiek. Dat gaat om een vergelijkbaar aantal mensen, die soms zelfs worden ingesloten omdat ze hun schulden niet kunnen betalen. Dat zijn toch het soort dingen waar je het over hebt op feestjes. ‘Hoe gaat het ermee? Nou, niet zo goed, ik moet mijn huis uit.’ Of: ‘Ik moet de cel in, want ik kan mijn rekeningen niet betalen.’ Je hebt het telkens over zeker 1 op de 1.000 Nederlanders, zo niet meer. Dat zou toch moeten opvallen? Toch bereiken dit soort stress-signalen journalisten nauwelijks.”

Haan: „Dat zal zo zijn, maar je moet niet vergeten dat het ook de bedoeling was dat dit onzichtbaar zou blijven. Er is gelakt, gelogen, toegedekt, weggekeken. Het is journalisten juist in dit dossier gelukt – met hulp van Omtzigt en Leijten – dat zichtbaar te maken.”

Luyendijk: „Ja, de journalistiek speelde zeker óók een heel goede rol. Dat moet gezegd. En je zou moeten kijken hoe je dat verder zou kunnen uitbouwen. Maar waarom zijn we dit ‘de Toeslagenaffaire’ gaan noemen? En niet ‘Toeslagenschandaal’? Dat zegt mij iets over hoe ver dit toch van veel van ons afstaat. Voor de mensen die het betreft is het zéker een schandaal, maar door het affaire te noemen krijgt het iets bestuurlijks.”

Wat Papaikonomou opviel is dat de journalistieke antennes wél lijken te werken waar het daders betreft, in plaats van slachtoffers. Tussen 2007 en 2013 bleken 805 Bulgaren voor zo’n vier miljoen euro aan onterechte toeslagen te hebben ontvangen. Het nieuws daarover domineerde wekenlang de kranten en het politieke debat. „Het gemak waarmee we toen als journalisten een koppeling maakten tussen nationaliteit en criminaliteit, door het gebruik van de term Bulgarenfraude. Dat is echt problematisch. Het was een verhaal dat erg gemakkelijk aansloot bij beelden en vooroordelen die velen al hadden. Journalisten zouden kritischer moeten zijn op het overnemen van dit soort termen, hoe lekker ze ook klinken.”

Haar opmerking raakt aan een tweede kritiekpunt dat viel te noteren in de discussie over de Toeslagenaffaire. Jesse Frederik becijferde in zijn boek de daadwerkelijke omvang van de zogeheten Bulgarenfraude, om deze daarmee in perspectief te zetten. Hij komt uit op 0,006 procent van het totaal van 68 miljard euro aan uitgekeerde toeslagen dat jaar, 2013. Frederik concludeert dat de ontspoorde opsporingsdrift bij de Belastingdienst die tot de Toeslagenaffaire leidde dáár is begonnen: bij de enorme media-aandacht voor deze fraude.

2 Te weinig gevoel voor proportie

„Een journalist hóéft geen reportages te maken waarin fraude-incidenten tot nationale kwesties worden gebombardeerd.” – Jesse Frederik in boek Zo hadden we het niet bedoeld

Voor Bas Haan werkt dit soort mediakritiek als een rode lap op een stier. „Voor wat Frederik – en De Correspondent in het algemeen – doet, overigens vaak heel goed, bestaat gewoon een woord: achtergrondjournalistiek. Daar zijn ze niet de enigen in, ook de kranten staan er vol mee. Maar dat soort journalistiek heeft per definitie het voordeel dat je kan terugblikken, terwijl de eerstelijnsjournalistiek, de nieuwsvoorziening, dat niet heeft. Op het moment dat jou als journalist bewijs onder ogen komt van iets dat op dat moment nog niet bekend is, dan breng je dat gewoon naar buiten. Hoe groot zoiets precies is, dat wéét je op dat moment gewoon nog niet. Het is niet fair je collega’s dat aan te rekenen.”

Het is inderdaad makkelijk oordelen, zegt ook Joris Luyendijk, als je zelf nooit „op die rijdende trein” zit. „Dit soort kritiek is dan ook makkelijk te pareren voor journalisten.” Papaikonomou, die zelf een achtergrond heeft als nieuwsverslaggever bij de Amsterdamse stadszender AT5, ziet ook wel dat toeslagenfraude in een Bulgaars dorp nieuws is, maar denkt dat je zulk nieuws ook anders kunt brengen. „Wat ik soms mis is dat je als journalist een stap naar achter doet en cijfers in perspectief zet. Om hoeveel mensen gaat het nu echt? En als je niet precies weet wat de omvang is, zeg dat dan erbij.”

Journalisten tonen zich volgens Papaikonomou soms te weinig bewust van het feit dat ze óók entertainers zijn, verhalenvertellers die er baat bij hebben zaken soms wat steviger neer te zetten. „Die neiging heeft Jesse Frederik overigens ook, bijvoorbeeld wanneer hij de verslaggeving over de escalatie van ons fraudebeleid als ‘schurkenspeurtocht’ neerzet. Dat is gewoon een lekkere term, maar óók een slim frame waardoor je anders gaat kijken.”

Frederik stelt in zijn boek onder meer dat de pendule in de columnistiek en in de politieke journalistiek soms te ver uitslaat. Hij verwijt zijn beroepsgroep te eenzijdig met de speurtocht naar schuldigen bezig te zijn. „Wat als er nu geen schurk is die hier verantwoordelijk voor is? Wat als de meeste mensen te goeder trouw waren en dit toch gruwelijk is misgelopen? Wat als dit geen complot is, maar een klucht?”

3 Te veel aandacht voor de poppetjes

„De journalistieke veronderstelling is dat het fout gaat, omdat iemand wilde dat het fout ging.”– Jesse Frederik

Bas Haan begrijpt misschien nog wel het minst van deze kritiek. „Uit al het onderzoek in deze zaak blijkt: er ís gelakt, gelogen, weggekeken. Er zijn documenten gevonden waarin gesproken werd van ‘nesten van Antillianen’. Dan is het toch volstrekt logisch dat je de verantwoordelijken daarop aanspreekt?”

Ook Joris Luyendijk ziet dat er sprake is van „verwijtbare nalatigheid” bij bewindspersonen. „Maar politieke journalistiek wordt al snel politici-journalistiek. Is she up or is she down? En dan mis je soms precies waar het écht misgaat. Je krijgt als minister de hele dag stapels documenten onder ogen. Kunnen we het Asscher écht verwijten dat hij zo’n signaal heeft gemist? „Je kunt misschien denken dat Ploumen als dochter van een melkboer dat sneller zou zien dan iemand als Asscher, die al zijn hele leven in hogere kringen doorbrengt. Maar ja, dat dachten we van Ad Melkert ook… Afkomst is geen garantie. De vraag is dan ook eerder wat er misgaat op zo’n ministerie.”

Maar waar hij eerder snel met de vinger naar journalisten wees, kreeg Luyendijk in de loop der jaren meer oog voor het complexe veld waarin journalisten werken. Met name voor de wensen van hun publiek. „Ik lees zelf eerlijk gezegd ook liever een lekker stuk over de fouten van minister De Jonge dan een stuk over hoe zijn ministerie precies werkt. Misschien is dat wel de grootste uitdaging voor onze beroepsgroep: hoe je toegankelijke journalistiek over complexe systemen maakt.”

Lees ook de column van de Ombudsman: NRC en de toeslagen: de bureaucratie kwam meer aan bod dan de ouders

Daarbij waarschuwt hij voor de valkuil van te hoge verwachtingen. „Je kunt journalisten verwijten dat ze te veel bezig zijn met Barbertje moet hangen. Maar wíj willen Barbertje zien hangen. Met z’n allen. Ik heb in tal van zaaltjes staan vertellen hoe bankiers met goede bedoelingen door het systeem waarbinnen ze opereerden tóch de fout ingingen. En dan kreeg ik bij de vragenronde van iedereen lof dat ik die eikels zo goed had aangepakt. Terwijl, dat vond ik helemaal niet!”

Zoals hij waarschuwt voor gemakkelijke kritiek op bankiers en politici waarschuwt hij nu ook voor gemakkelijke kritiek op journalisten. „De verleiding is groot om te denken: als we nu maar zus of zo doen, dan belanden we vanzelf in het paradijs. Maar zo werkt het helaas nergens.”

Met medewerking van Bart Hinke.