Opinie

Kinneging-controverse is geen binaire kwestie

Maxim Februari

Ik schrijf dit zoals ik voortaan leef: als de fameuze konijn-eend van de psycholoog Joseph Jastrow. Kijk je met je rechteroog naar mij, dan ben ik een eend. Oftewel, een witte heteroman, voor wie je moet oppassen, omdat hij zich onbewust is van de voorkeursbehandeling die hij al eeuwenlang heeft genoten.

Kijk je met je linkeroog, dan ben ik een konijn, oftewel een lid van de gemarginaliseerde subgroep der transseksuelen, op wie je heel goed moet passen, omdat hij breekbaar en kwetsbaar is en al eeuwenlang onderdrukt. Het is een lastige situatie, en nu ik aan het begin van dit stuk sta, weet ik niet welke rol de lezer mij aan het eind ervan nog zal gunnen.

Met de verkiezingen in zicht, probeer ik iets te leren over de vertegenwoordiging van verschillende geluiden. Ik kijk naar een praatje van politicus Peter Emerson bij het Adam Smith seminar in München over inclusieve stemprocedures. Te veel politieke beslissingen zijn binair, zegt hij. Je hebt keus uit twee smaken. Allereerst zijn veel verkiezingssystemen min of meer binair, tweepartijdig, met Nederland als een van de gunstige uitzonderingen: veel partijen en een beetje pluralisme, „so, jolly good”.

Maar belangrijker dan verkiezingssystemen is het systeem van besluitvorming. Ook dat is meestal binair, zoals de vraag die voorlag bij Brexit: ‘Remain or Leave?’ Je bent ergens voor of je bent er tegen. En dus ben je altijd tegen de ander. Dat schiet niet op. Besluitvorming knapt ervan op als je meerdere rondes plant en als je een rangorde kunt aangeven van meerdere voorkeuren. Een nabootsing van zoiets als een gesprek, zou je kunnen zeggen.

„In een pluralistische democratie is controverse nooit binair.” Ik zou er tere dingen over willen zeggen, maar ik heb maar steeds Andreas Kinneging in mijn achterhoofd en die wil eruit. Kinneging is een docent aan de Leidse universiteit die in opspraak is geraakt vanwege zijn onderwijs. En het lukt me niet er binair over te worden.

Studenten hadden geklaagd over een gevoel van onveiligheid, de universiteit deed onderzoek en NRC publiceerde een artikel over feminisme, Roodkapje en een lek in de universitaire klachtenprocedure. Ik had sterk het gevoel dat er meer rondes nodig waren en meer rangordes dan het simpele anti-Kinneging oordeel dat de sociale media beheerste.

Enerzijds… nou ja, enerzijds ben ik het ideologisch vrijwel in alles oneens met de conservatieve Leidse rechtsfilosoof Kinneging. En dat in Leiden alle conservatieve filosofen op een kluitje zitten heb ik ook nooit verstandig gevonden. Voor studenten is diversiteit in denken belangrijk. Maar juist daarom snap ik anderzijds niet waarom je aan een universiteit het feminisme niet ter discussie zou mogen stellen, zoals Kinneging doet. Het is een universiteit, godbetert.

En ik weet niet waarom je ‘Roodkapje’ zou lezen in een college rechtsfilosofie, maar vooruit, waarom niet? En is het dan niet tegenwoordig een gangbare interpretatie dat Roodkapje over seks gaat en over de dreigingen daaromheen? Roodkapje en seks, ja, dat is wel een normaal deel van je academische bagage. Nu wijst de conservatief erop. So what? Waarom vindt een studente dat vunzig en geeft iedereen haar collectief gelijk?

Ik betwijfel zeer of dit soort openbare terechtstellingen bijdraagt aan de veiligheid van studenten. Het leert ze vooral dat heel veel onveilig is en heel veel taboe. De laatste jaren spreek ik vaak met studenten over sekse en gender. Ze nodigen me uit en verontschuldigen zich in toenemende mate over alles. Ze lijken vooral hun eigen gedrag onveilig te vinden. Mag ik dit wel zeggen? Mag ik dit aan je vragen? Mag ik dit überhaupt wel diep van binnen denken?

Laatst vertelde een docent me dat hij kritiek op homoseksualiteit in zijn colleges verbiedt. Maar het is onderwijs, hè? Je kunt zo’n thema ook bespreken. Dan moet wel vooraf duidelijk zijn dat de ontmoeting open is, dat er veel mag en dat het gesprek niet op straat komt te liggen. In de kwestie-Kinneging zie je dat het op al die punten is misgegaan. De docent verbiedt tegenspraak en neemt gesprekken op met studenten, de universiteit lekt de namen van klagers naar de docent en een krant maakt van het personeelsakkefietje een nationaal dispuut.

Natuurlijk zijn er grenzen aan de uitspraken van een docent: zijn persoonlijke opvattingen over de genietingen van het neuken horen niet in een college thuis. Over die grenzen moet je het als samenleving hebben. Maar iedere afzonderlijke sneer – „kom uit je gereformeerde bubbel” – in het openbaar opblazen tot halszaak maakt de universiteit in plaats van veiliger juist onveiliger voor de studenten.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.