Indra Kneepkens in haar werkruimte, met links haar kopie van De drie Maria’s aan het graf van de gebroeders Van Eyck.

Foto Merlijn Doomernik

Interview

Olie op ’t vuur om Van Eyck te begrijpen

Indra Kneepkens | kunsthistoricus Schilders als Jan van Eyck waren virtuozen in het maken van verf. Hoe deden ze dat? Indra Kneepkens ging experimenteren.

Indra Kneepkens had tijdens haar opleiding al best wat schilderijen nageschilderd, maar een kopie maken van De drie Maria’s aan het graf: dat was andere koek. Het werk, dat wordt toegeschreven aan Jan van Eyck (1390-1441) en diens broer Hubert (1370-1426), overweldigt vanwege zijn enorme kleurenpracht en schitterende details. „Ik had vóór mijn studie kunstgeschiedenis sinds mijn tekeningen op school eigenlijk nooit meer iets gedaan in deze richting. Tot mijn eigen verbazing lukte het schilderen met olie eigenlijk best aardig, maar ik vroeg me natuurlijk wel af of een Van Eyck namaken niet een tikje ambitieus was. Gelukkig ging het mij er niet om een perfecte kopie te creëren, maar om de verf te begrijpen.”

Het namaken van een deel van dit beroemde schilderij van de gebroeders Van Eyck – een klus van vier maanden – was de apotheose van het werk aan haar dissertatie. Eind januari promoveerde Kneepkens (1979) in de kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift Masterful mixtures. Practical aspects of fifteenth- and early sixteenth-century oil paint formulation.

Kneepkens volgde een ongewoon pad naar haar doctorstitel. Ze studeerde af als zangeres aan het conservatorium in Den Haag en ging daarna als au pair werken in Italië. „Ik bezocht daar veel tentoonstellingen en raakte gefascineerd door de enorme gedetailleerdheid van de vijftiende-eeuwse schilderkunst. Terug in Nederland ben ik kunstgeschiedenis gaan studeren, waarbij ik vooral geïnteresseerd was in de materiële kant van het vak: met wat voor materiaal werkten schilders, waarom deden ze dat en wat was het effect ervan?”

Die recepten zijn vaak pas opgeschreven eeuwen nadat ze verzonnen waren

Vanwaar die interesse?

„Ik ergerde me eraan dat bij de interpretatie van schilderijen zonder bewijzen allerlei conclusies werden getrokken. Zo van: Picasso schilderde met zwart omdat hij depressief was. Kan je dat wel zomaar zeggen? Ik had het idee dat als je het materiaal bestudeert, je hárde antwoorden kon krijgen op bepaalde vragen. Als een schilder niet het ene rood, maar het andere rood gebruikte, had dat wellicht allerlei praktische, profane redenen. We moeten de rol van de materialen scheiden van de duiding, vond ik. Maar om dat te kunnen doen, moet je wel eerst die materialen onderzoeken. Wat zijn de eigenschappen van de verf die schilders gebruikten?”

Hoe onderzocht u verf uit de vijftiende eeuw? Die kon u moeilijk van allerlei meesterwerken gaan schrapen.

„Dat klopt. Schilders maakten in die tijd hun eigen olieverf. Ik ben begonnen met het lezen van oude boeken en archivalia waarin recepten staan voor verf, de oliën en pigmenten die je moest gebruiken. Daarmee is wel een probleem: die recepten zijn vaak pas opgeschreven eeuwen nadat ze verzonnen waren. Bij het kopiëren kan dus van alles fout zijn gegaan. Verder zijn de recepten niet altijd even duidelijk: er stond meestal niet bij welke hoeveelheden je moest gebruiken of op welke temperatuur en hoe lang je de ingrediënten moest verhitten.

„Dus ben ik zelf proefjes gaan doen. Mijn uitgangspunt daarbij waren de chemische analyses die andere onderzoekers bij restauraties hebben gedaan. Die laten combinaties zien van rauwe olie, gekookte olie, zinksulfaat, vermalen glas. Al die onderdelen ben ik gaan onderzoeken om te zien wat voor effecten verschillende bereidingswijzen hebben.

Gekookte olie blijkt enorm te druipen als je ermee schildert op een verticaal staand paneel

„Uiteindelijk heb ik iets van driehonderd proeven gedaan. Ik heb olie gekookt in kleine en grote pannen, heb het lang en kort op het vuur laten staan, op hoge en lage temperaturen, met en zonder roeren. Vervolgens heb ik de andere ingrediënten er doorheen gemixt en de verf aangebracht op een paneel om te zien hoe je die verschillende soorten het best kan gebruiken.”

Wat kwam daaruit naar voren?

„Dat kleine aanpassingen in de bereiding van materialen enorme verschillen kunnen maken. De ene olie bleek bijvoorbeeld heel geschikt voor het schilderen van de fijnste details, terwijl de andere olie juist goed was om gladde, grotere vlakken mee te maken.

„Aan de hand van die bevindingen heb ik een aantal hypotheses opgesteld over wat zou moeten werken bij het maken van een schilderij. Toen ben ik aan mijn Van Eyck begonnen.”

En, klopten uw hypotheses?

„Veel klopte, maar er waren ook zaken waarmee ik geen rekening had gehouden. Ik had al mijn proefjes op een horizontaal liggend oppervlak gedaan, maar toen ik aan het werk was op een paneel dat op een ezel stond, maakte dat een heel verschil. Gekookte olie blijkt enorm te druipen als je ermee schildert op een verticaal staand paneel. Met dat ingrediënt moest een schilder dus zuinig zijn.”

Wat ontdekte allemaal u over het materiaal waar Jan van Eyck mee werkte?

„De zestiende-eeuwse kunsthistoricus Giorgio Vasari schreef in zijn Vite – een bekende biografie van de belangrijkste kunstenaars van de Renaissance – dat de panelen van Van Eyck vaak barstten als hij ze liet drogen in de zon. Daarom zou hij op zoek zijn gegaan naar vernis dat ook goed droogde in de schaduw.

Je kan nooit zeggen: Van Eyck gebruikte dit materiaal en dáárom was hij zo succesvol

„Volgens Vasari kwam Van Eyck uit bij lijn- en notenolie. Hij is er alleen niet duidelijk over hoe Van Eyck die olie gebruikte. We wisten al dat het geen rauwe, of puur gekookte olie was, want dat gebruikten zijn voorgangers ook, maar nu lijkt het erop dat hij eigenlijk helemaal geen geheel vernieuwende materialen gebruikte. Zijn kennis en kunde zat hem veel meer in het ongelooflijke meesterschap waarmee hij de beschikbare materialen samenbracht.”

Is het zo dat materialen de kunstenaar maakten?

„Je kan nooit zeggen dat één specifiek materiaal dé handtekening is van een schilder. Denk aan jezelf als je in de keuken staat. Je hebt een recept, maar daar ga je naar omstandigheden mee om. Soms ontbreekt er een ingrediënt en vervang je het voor een ander. Of je wilt een verrassend effect bereiken en voegt iets nieuws toe.

„Door mijn onderzoek is me duidelijk geworden hoe belangrijk het was om improviserend om te gaan met het maken van verf. Kunstenaars als Jan van Eyck hadden daar natuurlijk veel ervaring mee en bereikten een soort virtuositeit. Met kleine aanpassingen werkten ze aan het effect dat ze wilden bereiken op een bepaalde plek op het schilderij. Je kan nooit zeggen: Van Eyck gebruikte dit materiaal en dáárom was hij zo succesvol. Hij was zo goed omdat hij voor elke situatie het beste uit zijn materiaal wist te halen. Mijn respect voor de kunstenaars uit deze tijd is enorm toegenomen.”