Recensie

Recensie Boeken

Soms staat een bezem voor properheid, maar soms ook voor seks

Cultuur Waar kwam de typisch Nederlandse neiging vandaan om alsmaar te boenen en te poetsen? De Pool Piotr Oczko deed onderzoek naar een fenomeen dat na de Tweede Wereldoorlog bijna uit de volksaard is verdwenen.

Lust: De bezem van de meid kondigt seks aan tussen deze man en vrouw. De brief (1665-1670) van Pieter Janssens Elinga.
Lust: De bezem van de meid kondigt seks aan tussen deze man en vrouw. De brief (1665-1670) van Pieter Janssens Elinga. Foto RKD

Wanneer is een afbeelding van een bezem gewoon een afbeelding van een bezem? Niet vaak, als we Piotr Oczko mogen geloven. Soms staat een bezem voor het christelijk geloof, soms voor de dienende rol van de vrouw in huis, soms voor kuisheid, maar soms ook juist voor losbandigheid – en heel soms is een bezem inderdaad niet meer dan een voorwerp om mee schoon te maken.

Van Oczko’s hand verscheen eind vorig jaar Bezem & Kruis. De Hollandse schoonmaakcultuur of de geschiedenis van een obsessie. Oczko is filoloog en kunsthistoricus en doceert aan de Jagiellonische Universiteit in Krakau, waar hij zich al dertig jaar bezighoudt met de Nederlandse cultuurgeschiedenis. Dit boek is het resultaat van een decennium onderzoek naar hoe de typisch Nederlandse neiging om alsmaar te boenen en poetsen vanaf de zestiende eeuw in de beeldende kunst is terechtgekomen.

Die obsessieve neiging tot properheid was een van de eerste zaken die buitenlanders opvielen als ze door de Republiek reisden. Dit schreef bijvoorbeeld William Temple, een Engels diplomaat, in 1757 over zijn bezoek aan de Amsterdamse burgemeester Hendrik Hooft: „Toen ik op een zekere dag met een fikse verkoudheid bij de heer Hooft dineerde, viel het me op, dat telkens wanneer ik spuugde, een ferme, mooie meid (die met een schone doek in de hand in de kamer stond) meteen bukte om het op te vegen en de vloer schoon te wrijven. Over mijn verkoudheid sprekend met een disgenoot, zei ik dat ik vooral werd gekweld door de aanblik van die arme meid die zich zoveel moeite moest getroosten. De heer Hooft merkte op, dat ik me gelukkig mocht prijzen, want als zijn vrouw thuis was geweest, had ze mij, ook al was ik een ambassadeur, de deur gewezen voor het bezoedelen van haar huis.”

Geen lollig plaatjesboek

Temple dacht dat er een grapje werd gemaakt, maar een van de andere gasten kwam met een nog straffer voorbeeld van de smetvrees van Amsterdams personeel. Hij vertelde over een huisbezoek door een collega: „Nadat hij had aangeklopt, werd de deur opengedaan door een struise Noord-Hollandse meid. Hij vroeg of haar mevrouw thuis was en zij zei ‘ja’. Daarop maakte hij aanstalten om naar binnen te gaan, maar de meid, die zag dat zijn schoenen niet bepaald schoon waren, greep hem bij de armen, slingerde hem op haar rug, droeg hem twee kamers door, zette hem onder aan de trap neer, trok zijn schoenen uit en deed hem een paar slippers aan die daar stonden, en dat alles zonder ook maar één woord.”

Girlpower: Pak aan! Een man die zijn vrouw had geslagen wordt in de Vinkestraat in Amsterdam door een groep vrouwen bestraft (1768), door Anthonie Drost.

Foto Rijksmuseum

Natuurlijk vertelt een reiziger terug thuis graag sterke verhalen, maar Oczko meent dat Temple hier waarschijnlijk de waarheid sprak. Hij komt tot die conclusie na een analyse van zijn bronnen. De grondigheid waarmee hij dit doet, is exemplarisch voor Bezem & Kruis. Dit is geen lollig plaatjesboek met wat tekstjes over die malle, poetsende Hollanders, maar een kritische, diepgravende duiding van een nationale cultuur. Het mythische beeld van de Nederlandse reinheid dat uit de reisverslagen naar voren komt, kan, aldus Oczko, niet erg ver van de werkelijkheid af staan. „Het wordt immers waarschijnlijk gemaakt door zowel de grote hoeveelheid aan uitlatingen, als door hun verscheidenheid (strekkend van beslist positieve en zelfs enthousiaste lofprijzingen van properheid, tot buitengewoon kritische opmerkingen die het verschijnsel behandelen in de context van ‘idolatrie’, slavernij en buitensporigheid).”

Ook in oude Nederlandse teksten komt de neiging tot schoonmaken uitgebreid aan bod. Wat te denken van dit gedicht van de Dordtse leraar Pieter van Godewijck (1593-1669), dat wordt uitgesproken door de dochter van een plaatselijke ambtenaar:

Myn stoffer is myn swaerd, myn bussum is myn wapen./ Ick kennen geene rust, ick weete van geen slaepen./ Ik denck aan geen salet, ick denck niet aan myn keel./ Geen arbeyt my te swaer; geen zorgde mij te veel/ Om alles gladdekens en sonder smet te maken./ Ik wil nyet dat de maegd myn pronckstuck aan zal raken,/ Ick selve wrijf en boen, ick flodder en ick schrob,/ Ick aes op ’t kleinste stof, ik beef niet voor den tob/ Gelyck de pronckmadam…

Dichter Jacob Cats (1577-1660) vond dat het af en toe wel wat minder kon met al dat gepoets:

Daer is een vreemde lust van boenen, dweyelen, schueren,/ Van al te net te syn, van duysent vreemde kueren;/ U trap is myn getuygh, daer niemant op en gaet/ Ten sy dat eerst de voet de schoenen achter laet.

Het verhaal over de meid met de sloffen dat William Temple een eeuw later hoorde bij burgemeester Hooft, echoot deze strofe van ‘vadertje’ Cats.

Na te hebben vastgesteld dat Nederlanders inderdaad veel en graag schoonmaakten, wendt Oczko zich tot de schilderkunst. De honderden overgeleverde schilderijen met vegende en boenende mensen laten dus de ‘werkelijkheid’ zien, maar wat vertellen ze nog meer? Het boek bevat 377 illustraties, die hij nauwkeurig ontleedt.

Boenen: Opgestroopte mouwen: een teken van arbeidzaamheid. De ketelschuurster (ca. 1650-1660) van Jan Steen.

Foto Rijksmuseum

Een hoofdrol op deze schilderijen is er voor de bezem: het voorwerp bij uitstek om vuil mee te verwijderen. Bezemen heeft, aldus Oczko, meerdere betekenissen: morele, theologische, sociale en polemische. In de zeventiende-eeuwse Nederlandse genreschilderkunst was het hanteren van de bezem vaak „een allegorie voor maatschappelijke orde en christelijke moraliteit, zowel als waarschuwing tegen het overschrijden van Gods geboden alsook als moreel tegenwicht voor taferelen met gokkers of prostituees”.

Dat de bezem stond voor het christelijk geloof, lag er soms dik bovenop. Op een prent van Dirck Volckertsz. Coornhert (1522-1590) bijvoorbeeld reinigt een vrouw met een bezem menselijke harten die liggen te weken in een stenen schaal gevuld met Christus’ bloed. Aan het eind van de bezemsteel zit een kruis.

Soms kon een bezem echter iets heel anders betekenen. Op het schilderij Nederlandse spreekwoorden van Pieter Bruegel de Oude (?-1569) steekt er een bezem uit een open raam, terwijl we binnen een man en vrouw zien kussen. Hier verbeeldde Bruegel het spreekwoord ‘de bezem uitsteken’, wat zoiets betekent als ‘als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel’.

Dubbelzinnige leidmotieven

Het is dus altijd zaak om schoonmaakwerkzaamheden te duiden in de context van het gehele schilderij, zegt Oczko. Het schrobben van een pot kan „worden opgevat als een ode aan degelijk uitgevoerde arbeid (vooral omdat opgerolde mouwen, die we vaak op schilderijen tegenkomen, door moralisten werden gezien als een teken van ijverigheid en toewijding), als een voorbeeld van Hollandse netheid, een symbool van kuisheid, of als kritiek op hypocrisie (‘de buitenkant van bekers en schalen spoelen jullie af, maar de binnenkant blijft vol roofzucht en onmatigheid’, lezen we in het Evangelie volgens Mattheüs 23:25)”.

Maar ook binnen een bepaalde context kunnen interpretaties verschillen, zegt Oczko. Hij neemt als voorbeeld de bezems die voorkomen in tal van schilderijen die de liefde of erotiek als onderwerp hebben. Volgens de prominente Nederlandse kunsthistoricus en iconoloog Eddy de Jongh zouden die een vermanende rol hebben: hier moet iets zondigs worden weggeveegd. Oczko ziet het anders: hij denkt dat de bezem geen vermaning is, maar een extra aanwijzing dat het hier een schilderij betreft dat over vertier gaat. Dan zou „de bezem behoren tot dezelfde groep dubbelzinnige iconografische leidmotieven als een glas wijn, opengetrokken (en dus uitnodigende) bedgordijnen of een zojuist verlaten vogelkooi”.

Het geloof: Bezemen tegen de zonde. Geloof reinigt het menselijk hart met het bloed van Christus (1557-1561) van Dirck Volckertsz. Coornhert.

Foto Rijksmuseum

Nadat hij de bezem als wapen tegen het patriarchaat heeft belicht – de vrouw is de baas in haar huis en zij bepaalt wat daar gebeurt – en de bezem als wapen tegen de gevestigde orde – arbeiders die het grootkapitaal wegvegen – komt Ockzo uit bij de crux van zijn boek: waarom maakten Nederlanders zo graag schoon? Of, zoals hij het formuleert: wat is „de oorzaak van de in de Nederlandse cultuur verankerde obsessieve zindelijkheid”?

Hij onderscheidt vier factoren. Ten eerste was daar „het protestantisme en het hierdoor gepropageerde arbeidsethos”. Ten tweede „de buitengewoon vroege opkomst van een stelsel van burgerlijke normen en waarden”. Ten derde „de welstand van de hogere en middenklassen die werd weerspiegeld door hun interieur”. En ten slotte „de maatschappelijke positie van vrouwen en hun nauwe band met de huiselijke privésfeer, die men, paradoxaal genoeg, niet alleen kan beschouwen als een vorm van patriarchale kneveling, maar ook als een vroege vorm van emancipatie”.

De schoonmaakcultuur stortte in na de Tweede Wereldoorlog, schrijft Oczko, door de voltooiing van die emancipatie. Echtgenotes namen niet langer genoegen met een plekje achter het aanrecht. Daarnaast zorgde de economische bloei ervoor dat de positie van dienstmeid niet langer werd opgevat als loopbaanoptie.

Maar toch: de hang naar properheid verdween niet geheel uit de Nederlandse volksaard. Oczko vertelt over een groep protesterende leerlingen uit Monnickendam, die bezwaar maakten tegen de staat van onderhoud van de toiletten op hun school. Hun slogan luidde: De wc’s stinken als de pest,/ In je broek doen is wat ons rest. Dat hiervoor nationale media-aandacht kwam, was, aldus Oczko, „in andere landen ondenkbaar geweest”.