Opinie

Normalisering van de PVV kan met zo’n programma niet

Verkiezingsprogramma PVV

Commentaar

Toen de PVV van Geert Wilders in november 2006 met negen zetels in de Tweede Kamer belandde, was ophef de grondstof waarmee de partij wist te groeien. Extreme voorstellen van de PVV bepaalden het gesprek. Verontwaardiging over Wilders’ uitspraken leidde tot verhitte taferelen in het parlement. Bijvoorbeeld toen Wilders een motie van wantrouwen indiende tegen twee bewindspersonen, alleen om hun dubbele nationaliteit. Toen hij over een „kopvoddentaks” begon, een belasting op het dragen van een hoofddoek. Of toen hij de korte film Fitna uitbracht.

Nu, bijna vijftien jaar na de entree van de PVV in het parlement, is de tweede partij van Nederland bezig aan een nieuwe opmars in de peilingen. Hoewel het einde van de partij vaak voorspeld is, is de PVV verrassend stabiel gebleven. De partij heeft sindsdien meerdere gezichten getoond, en doet dat vandaag nog steeds: in het coronadossier is Wilders kritisch, maar meedenkend – zoals er wel meer partijen zijn. Maar de PVV is nooit een normale partij geworden. In het verkiezingsprogramma van de PVV staan extreme standpunten, die even alarmerend zouden moeten zijn als de uitspraken van Wilders destijds. Zo pleit de PVV voor „het terugdringen van de islam”, bijvoorbeeld via remigratie. En: „Al die Nederlandse moslims die de islamitische regels belangrijker vinden dan de Nederlandse wetten.” Er komt, als het aan de PVV ligt, een minister van Immigratie, remigratie en deïslamisering.

Het zijn voorstellen die passen in de context waarbinnen de PVV al jaren opereert: de partij zoekt in de islamkritiek de grenzen van de rechtsstaat op, en overschrijdt die grenzen in haar etnocentrisme soms. ‘Onze cultuur’ geldt als de norm. Mensen met een dubbele nationaliteit het stemrecht afpakken, of het recht politieke functies uit te oefenen, veroordeelt hen tot tweederangs burgers. Het voorstel moskeeën en islamitische scholen te sluiten, is een gevaarlijke inperking van de godsdienst- en onderwijsvrijheid. De islam is een godsdienst, geen ideologie. Toch heeft het verkiezingsprogramma in Den Haag voor lauwe reacties gezorgd. De opkomst van Forum voor Democratie heeft als bliksemafleider gediend. FVD-leider Thierry Baudet deed openlijk discriminerende en racistische uitspraken. Het wereldbeeld dat Baudet uitdraagt, dat van een westerse beschaving in doodsstrijd, heeft racistische grondtonen. Wilders richt zich primair op de islam, al spreekt hij soms wel bevolkingsgroepen als geheel aan. Zo heeft het programma het over „Marokkaanse agressie” en „een fors aantal Turken en Marokkanen” die uitkeringen hebben en huizen in het buitenland bezitten. Eerder had hij het over „minder Marokkanen”, een uitspraak die hem een proces opleverde.

De relatieve rust rondom Wilders is de verkeerde reflex. Wilders zou veel meer in het openbaar rekenschap moeten afleggen over zijn programma. Het Wilders-proces heeft bewezen dat de grenzen van het betamelijke in de politiek niet door een rechter moeten worden bepaald, maar door debat. Wilders loopt daarvoor weg, en spreekt alleen zijn eigen achterban toe. Dat is een vorm van democratisch vals spelen. Andere partijen moeten niet zwijgen, ook niet als de PVV zetels wint. Wopke Hoekstra (CDA) noemde het „niet goed voorstelbaar” dat het CDA met de PVV zou gaan regeren. Dat riekt naar normalisering. Bij het serieus nemen van de PVV hoort dat partijen duidelijk maken waar de grens ligt. Regeren met de PVV moet met dit verkiezingsprogramma uitgesloten zijn.