Opinie

Het gekwetste ik duldt geen tegenspraak

Samenleving Het individu is almachtig én ongehoord. Zodra je je eigen hoofd verlaat, blijkt dat je schrikbarend weinig voorstelt, ziet .
Illustratie Cyprian Koscielniak

Protest heeft grote woorden nodig, maar tegenwoordig regeert de hyperbool. Wie ontevreden of boos is, zoekt meteen de overtreffende trap. Lees even mee. Nederland anno nu is een „dictatuur”, de lange lockdown is „een misdaad tegen de menselijkheid”. Dingen roepen op het Museumplein is „verzet”. Volgens de sjamaan van Viruswaarheid, Willem Engel, is het isoleren van ouderen in verpleeghuizen „een vorm van genocide”.

In een filosofisch gesprek met rapper Lange Frans noemt complotprofessor Karel van Wolferen de aanpak van de coronapandemie „de meest totalitaire ingreep die we ooit hebben gezien. Voor iedereen die na de Tweede Wereldoorlog is geboren is dit de allergrootste leugen die we in ons leven meemaken. En de grootste misdaad”. De voorman van splinterpartij Forum voor Democratie over het corona-beleid: „Een van de grootste vergissingen die mensen hebben bevangen”.

Groot, groter, grootst.

En altijd is de burgeroorlog op handen. „Gaat er hulp komen?”, vroeg Lange Frans afgelopen zomer aan graancirkelexpert Janet Ossebaard. „Of is er een Nederlandse militie die nu in de bossen aan het trainen is om met een of andere rare actie het Torentje plat te leggen?” Ossebaard: „We kunnen dit niet alleen. Wat moeten we doen? Die man [Mark Rutte] doodschieten? Ik ga het niet doen, ik wil graag mijn karma schoonhouden”.

Wanneer het over lijden en onderdrukking gaat, is de overtreffende trap snel gevonden. De moord op zes miljoen Joden mag uniek zijn, de eigen sores is toch minstens even erg. „Als er straks geen boeren meer zijn, zeg dan niet: Wir haben es nicht gewusst”, sprak de aanvoerder van Farmers Defence Force, Mark van den Oever, vorig jaar tijdens de boerenprotesten. Na ophef over zijn uitspraken, hield hij vol: „Het lijkt er toch een beetje op? Ook nu is het een kleine bevolkingsgroep die systematisch in een hoek wordt gedreven en die van haar land wordt verdreven”. Willem Engel vergeleek later het verplicht dragen van mondkapjes met het dragen van de Jodenster tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bij een post over hun „verzet” op Facebook plaatsten Viruswaarheid en Engel afgelopen week een foto van het monument Vrouwen van Ravensbrück.

Uitzinnig narcisme

Zulke krankjorume vereenzelviging roept afschuw, hoon en hilariteit op, maar een verklaring blijft uit. Wat beweegt mensen om hun eigen kritiek en onvrede in zulke gênante beeldspraak te vatten? Waarom gaat het gevoel niet gehoord te worden moeiteloos samen met tomeloze overdrijving en gierende egomanie?

Waar komt die combinatie van slachtofferschap en uitzinnig narcisme vandaan? Neem die pijnlijke vereenzelviging met de Jodenvervolging. Die wordt niet veroorzaakt door slecht onderwijs en gebrek aan historisch besef, zoals wel wordt beweerd, maar door een verstoorde hiërarchie, een verstoord gevoel voor proportie. Een gezond moreel besef relativeert je eigen besognes, hoe naar ook, wanneer je die in het perspectief zet van zoiets groots en onbevattelijks als de Holocaust. Maar niet wanneer jouw beleving, jouw emotie, het middelpunt van alles is geworden. Wanneer alles aan je eigen subjectieve beleving wordt afgemeten, zijn de verschrikkingen van de oorlog niet langer een referentiepunt buiten jezelf, maar een middel om aandacht te trekken voor jouw leed.

„Respectloos en smakeloos”, noemt het Comité Vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück de actie van Viruswaarheid in een reactie, en voegt eraan toe: „Natuurlijk heeft iedereen het volste recht om te demonstreren en het niet eens te zijn met de coronamaatregelen. Maar de tegenbeweging Viruswaarheid op één lijn zetten met het dappere verzet en onnoemlijk lijden van de Vrouwen van Ravensbrück, van wie velen hun verzet met de dood hebben moeten bekopen, is onacceptabel”.

Het zal geen indruk maken op de narcist Engel en zijn aanhang. Wie boos is, wie onrecht ervaart, wie aandacht wil, wil gezien worden – het maakt niet uit hoe.

Gezien willen worden heeft in onze tijd twee betekenissen, en daar zit het probleem.

Tijdperk van het tirannieke individu

Eerst de maatschappelijke betekenis: wanneer je je ongehoord, veronachtzaamd of vernederd voelt, kun je zichtbaarheid opeisen op basis van gelijkheid. Je vecht voor je overtuigingen of eist een plek voor jezelf op als volwaardige burger in de maatschappij, te midden van andere burgers. Dat was de motor achter de grote emancipatiebewegingen van de twintigste eeuw.

De liberale democratie belooft gelijkheid voor iedereen. We weten dat die belofte te vaak niet wordt nagekomen, maar vanuit historisch perspectief gezien zijn grote stappen gezet. Zoals de Franse socioloog Nathalie Heinich in een gesprek met mij stelde: „Kijk naar de positie van vrouwen nog maar één generatie geleden en die van nu. Wanneer een bepaalde waarde steeds belangrijker wordt gevonden, valt de discrepantie tussen die waarde en de dagelijkse realiteit steeds meer op. Mensen kunnen daardoor het gevoel krijgen dat het almaar slechter gaat, maar het omgekeerde is het geval. De meeste mensen denken niet over zichzelf in historische termen, maar in de afgelopen honderd jaar heeft het ideaal van gelijkheid enorme vooruitgang geboekt”.

Klopt – maar het is niet het hele verhaal. In de voorbije decennia is de nadruk steeds meer komen te liggen op de individuele beleving, de buitenwereld als verlengstuk van de belevingswereld. Dat is de tweede betekenis van het gezien willen worden, je zet jezelf overal en altijd op de voorgrond. De menselijke neiging om de wereld vanuit de eigen subjectiviteit te beschouwen is de afgelopen decennia op alle fronten aangemoedigd – ideologisch, technologisch, economisch. De selfie-cultuur, zeg maar.

Die ontwikkeling wordt overtuigend beschreven in een recent boek met de provocerende titel L’ère de l’individu tyran (Het tijdperk van het tirannieke individu) van Éric Sadin, een filosoof die zich bezighoudt met de invloed van nieuwe technologie op de samenleving. Het klassieke liberalisme propageerde gelijkheid, maar ook de gedachte dat iedereen zijn eigen geluk mocht najagen. Lang – en volgens velen nog altijd – heerste de overtuiging dat wat goed was voor het individu ook goed zou zijn voor de maatschappij als geheel. Eigen belang was algemeen belang. Aangemoedigd door het neoliberalisme kwam de nadruk meer en meer op individuele zelfbeschikking te liggen. In onze consumptiemaatschappij werd het ideaal van eindeloze zelfontplooiing, het ik als absoluut middelpunt van de wereld, tot een commerciële cultus met de kracht van een geloof.

Illustratie Cyprian Koscielniak

Leugenachtige belofte, grote deceptie

Want een geloof, dat was het. In 2006 koos Time Magazine daarom als Persoon van het Jaar: You. Op het omslag van het weekblad stond een desktopcomputer afgebeeld met een scherm dat tegelijk een spiegel was. En de tekst: „Ja, jij. Jij heerst in het informatietijdperk. Welkom in jouw wereld”.

Een mooiere illustratie van dit geloof in eindeloze zelfbeschikking is er niet, denk ik. Het individu wordt beloofd dat hij de nieuwe, digitale wereld kan besturen vanachter zijn toetsenbord, de burger bestuurt de maatschappij via laptop of smartphone, hij hoeft niet langer op te kijken tegen autoriteiten en bekende figuren. Hij kijkt via een scherm naar heel de wereld. Tegelijk was dat scherm op het omslag van Time ook een spiegel; je kijkt naar de wereld, maar je ziet alleen jezelf.

Zo cynisch was die cover van Time niet bedoeld. In die jaren geloofde men het allemaal echt.

Sadin laat zien hoe leugenachtig die belofte was. Juist omdat het individu door een combinatie van techniek, commercie en neoliberale ideologie langzaam maar zeker was losgeweekt van de publieke ruimte en de publieke zaak, vormde zijn werkelijke verlies aan maatschappelijke invloed een schril contrast met de digitale almacht die hem werd aangepraat.

Want als iemand niet heerste over het informatietijdperk, dan was het die ‘jij’. Van de euforie van het omslag van Time is inmiddels niets meer over. De grote deceptie is dat we geen subject blijken te zijn, maar object – allereerst van de tech-giganten die de belofte van individuele almacht gebruiken als rookgordijn voor sturing en manipulatie, die persoonlijke data vooral als handelswaar zien. We hebben een iPhone, YouTube, YouPorn, het is ik, jij, ik, jij tot in het oneindige, maar die aangekweekte, van alle kanten aangemoedigde eigendunk, blijkt steeds opnieuw een hopeloze illusie. ‘Jij’ stelt helemaal niet veel voor, steeds minder eigenlijk. Met je likes. Met je selfies. Met je meningen.

Vandaar dat de retoriek van hedendaagse opstandigen steeds heen en weer slingert tussen uitingen van geldingsdrang en het zwelgen in slachtofferschap („Gaat er hulp komen? We kunnen dit niet alleen”). Gevoelens van almacht en onmacht blijken twee kanten van dezelfde medaille. Jou is decennialang beloofd dat je de wereld je wil kunt opleggen en maar steeds opnieuw ontdek je dat die belofte gewoon bedrog is. Anderen bepalen alles. Achter je toetsenbord ben je alleenheerser, maar maatschappelijk is je betekenis verwaarloosbaar. Zodra je je eigen hoofd verlaat, blijkt dat je schrikbarend weinig voorstelt; speelbal ben je, object voor sturing en manipulatie. Het tirannieke individu uit de titel van het boek van Sadin blijkt een onmachtige heerser, omdat niemand zijn bevelen opvolgt, sterker nog, omdat vrijwel niemand hem ziet staan.

Je ben almachtig én ongehoord.

Lees ook dit essay van Bas Blokker: Informatietijdperk laat Amerikaans wantrouwen groeien

Glijdende schaal van ongemak naar paranoia

Mij lijkt die paradox een geloofwaardige verklaring voor die vaak zo hysterische en onsmakelijke betrekkingswaan van zoveel hedendaagse opstandigen. In hun activisme lopen die twee manieren van ‘gezien’ willen worden hopeloos door elkaar, je punt willen maken in een maatschappelijk debat en de tirannieke neigingen van een ego dat geen tegenspraak duldt.

Omdat de wereld buiten je hoofd geen oog heeft voor jou en je besognes, jouw benardheid en pijn, ontstaat gemakkelijk het idee dat die wereld tegen jou is, je wil dwarsbomen, knechten, en zelfs vernietigen. Die glijdende schaal van ongemak naar paranoia zie je mooi in complotdocumentaires als Hold-Up, een Franse documentaire tegen het coronaregime die al miljoenen keren bekeken is. Die film begint met twijfels aan het nut van het mondkapje; hij eindigt met de suggestie van een complot van machtigen om een wereldheerschappij te vestigen. In die nieuwe orde zal er helemaal geen plaats meer zijn voor gewone burgers, zij zullen niet alleen ongezien en ongehoord blijven, maar uiteindelijk overbodig verklaard en geruimd worden.

Wanneer het gaat over de verspreiding van nepnieuws en complottheorieën, wordt meestal ter verklaring de filterbubbel aangehaald, waar mensen een alternatieve werkelijkheid wordt gepresenteerd, die nergens meer weersproken wordt. De wereld is complex en onoverzichtelijk, heet het dan, en mensen zoeken naar houvast, een overzichtelijk verhaal dat alles verklaart.

Zulke verklaringen missen wat mij betreft waar het echt om gaat: de onverdraaglijke discrepantie tussen de zelfbeschikking die het individu is aangepraat, de belofte dat je wereld zich voor jou zal openstellen (Jij heerst over de informatiemaatschappij!), zich naar jouw wensen zal voegen, en, anderzijds, de harde werkelijkheid waarin jouw stem nauwelijks gehoord wordt temidden van al die andere stemmen, waarin iedereen aan de touwtjes lijkt te trekken behalve jij. De aandacht waarmee de buitenwereld je overstelpt, blijkt, dat is het grote bedrog, een middel om je aan te sturen, te nudgen en te manipuleren – en geld aan je te verdienen.

Lees ook dit essay van NRC-hoofdredacteur René Moerland: Feiten zijn niet gehoorzaam

Dopamine-shot van zelfvergroting

Éric Sadin laat in zijn boek goed zien hoe die nadruk op „la centralité de soi”, het ik als middelpunt, de publieke ruimte leeg en het publieke debat hol hebben gemaakt. Die uitzinnige vergelijkingen met de Jodenvervolging en verzetsstrijders zijn uitingen van eigenwaan die behalve smakeloosheid vooral onmacht laten zien; je krijgt er aandacht door, maar het maakt de buitenwereld ook onmogelijk je serieus te nemen. Niemand buiten je eigen groep wil meer met je gezien worden, zodat je behoefte om ‘gezien’ te worden in het luchtledige blijft zweven. Waardoor de frustratie alleen maar groter wordt, de vergelijkingen absurder, de complottheorieën uitzinniger.

Een ander gevolg van dat wegvallen van het publieke debat, het opgesloten zijn in het geïnflateerde ik, is dat alles voortaan persoonlijk wordt. Progressieve activisten roepen graag dat het persoonlijke politiek is, maar voor je het weet is ook het omgekeerde het geval – dat alles wat politiek en maatschappelijk is, meteen in het persoonlijke wordt getrokken. Dan gaat het niet langer om wat er gezegd wordt, maar alleen nog om wie het zegt. Je politieke held kan de grootste leugens verkondigen, het doet er niet toe; de politicus waar je een teringhekel aan hebt roept enkel persoonlijke haat op.

Van alle kanten worden de geloofsartikelen van het neoliberalisme nu bekritiseerd. Daarbij gaat het steeds om doorgeschoten marktdenken, groeiende ongelijkheid, het verwaarlozen van de publieke sector. Maar de meeste critici bijten hun tanden stuk op die gedeprivilegieerde burger, die systeemkritiek schouderophalend aan zich voorbij laat gaan en zich dag en nacht druk blijft maken over Kick Out Zwarte Piet en de man van Sigrid Kaag.

Vals bewustzijn!, wordt er dan wanhopig geroepen. Maar vergeten wordt dat diezelfde burger jarenlang van alle kanten is aangemoedigd zijn burgerschap in te ruilen voor de dopamine-shot van de persoonlijke zelfvergroting, de illusie van de totale zelfbeschikking. Pas als met die leugen hard wordt afgerekend, kan die opgeblazen retoriek van onderdrukking en slachtofferschap weer plaats maken voor gerichte maatschappijkritiek.