Opinie

Straf relschoppers maar vergeet het individu niet

Avondklokrellen Relgedrag verdient een normstelling, maar op de veroordeling hoort ook mededogen te volgen, schrijft .
De ME tegenover relschoppers op het Museumplein, Amsterdam.
De ME tegenover relschoppers op het Museumplein, Amsterdam. Foto Robin van Lonkhuijsen / ANP

Aan de aandacht kan het niet ontsnapt zijn: de relschoppers in de diverse steden worden gezocht, opgepakt en in sommige gevallen snel veroordeeld middels het snelrecht. De straffen zijn fors te noemen; zo krijgt de 19-jarige Ayoub uit Den Haag twee maanden detentie voor het gooien van een steen naar een gepantserde politiebus. Het betekent voor hem dat hij daarmee zijn baan verliest en ook zijn studie voorlopig niet kan starten.

Het gooien van stenen, het werpen van fietsen en de algehele agressie richting de politie is absoluut afkeurenswaardig gedrag. De rellen veroorzaken maatschappelijke onrust, waar iedereen een mening over lijkt te hebben. In de politiek en in de media wordt de norm duidelijk gesteld: dit criminele gedrag moet worden afgestraft – en zo geschiedde.

We zijn niet in staat om in het hoofd te kijken van de relschoppers, maar het is opvallend hoe zij zelf hun gedrag in de strafzaak verklaren: het is de spanning, het meegaan met de groep en vaak een vorm van impulsiviteit. Er is ook spijt achteraf en verbazing over het eigen gedrag. Het vindt aansluiting bij criminologische verklaringen waarom mensen in staat zijn tot geweld. Hoe kan het toch dat mensen hun morele overtuigingen en bewustzijn van goed en kwaad ineens lijken los te laten, zeker in groepsverband? Het vraagt toch echt om psychologische én sociologische verklaringen.

Maatschappelijk onderbuikgevoel

Impulsiviteit is vaak een kenmerk bij antisociaal gedrag, zeker als de druk van de groep om je heen groot is. Morele ontkoppeling is soms het gevolg, waarbij de relschoppers hun criminele gedrag goedpraten omdat iedereen dit gedrag aan het vertonen is. De verantwoordelijkheid wordt gedeeld door de groep en daardoor is op dat specifieke moment even niemand verantwoordelijk. Het ontneemt natuurlijk niemands individuele aansprakelijkheid, maar het is een verklaring waarom al die diverse gewone mensen tot geweld in staat zijn, zonder dat zij daarop berekend waren of er überhaupt op voorhand over nagedacht hebben.

Lees ook dit interview met onderzoeker Jelle van Buuren: ‘Het fundamentele wantrouwen is het grootste risico’

Als we luisteren naar het maatschappelijke onderbuikgevoel kan sanctie niet te licht te zijn en verdienen geweldplegers flinke straffen. Politici waren er als de kippen bij om de daders te veroordelen en om hard te straffen. „Crimineel tuig” noemde VVD-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff hen allen. En blijkbaar verdient elke geweldpleger „lik op stuk” en moet hij direct „de bak in”, aldus (demissionair) minister voor Rechtsbescherming Sander Dekker. Die eenzijdige no mercy-opvattingen roepen altijd verbazing bij mij op. Natuurlijk, wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten. Het is geen gekke wens vanuit de maatschappij en het ligt dus ook besloten in de strafdoelen die we kennen in het strafrecht. Het houdt er alleen niet bij op: in het strafrecht is er ook aandacht voor de persoon van de dader.

Resocialisatie

Als hulpverlener werk ik in de praktijk met mannen en vrouwen die allen veroordeeld zijn voor een delict. Het gros heeft hiervoor een straf uitgezeten in de gevangenis en probeert nu in onze samenleving te resocialiseren. Concreet betekent dit een intensief traject met aandacht voor wonen, werken, relaties, financiën, zingeving en bovenal zorg voor de persoon van de dader. Detentie betekent uitsluiting van de samenleving; resocialisatie betekent een poging om weer mee te mogen doen.

Lees ook over de aanpak van relschoppers: Wacht je ze op of spreek je ze aan?

Dit vraagt van mij als professional om bereid te zijn de mens te zien achter het delict. Ik moet in staat zijn om verder te kijken dan het gedrag dat is vertoond door de ander. Het verplicht mij om de ander niet louter als crimineel te zien, waarbij het tegelijkertijd ook de plicht is om het criminele denken te benoemen en af te wijzen. Het zet je soms voor dilemma’s: wil de ander echt zijn leven beteren? Je komt er alleen achter door de ander een kans te geven.

Relgedrag verdient een normstelling, maar ik mis in het geschreeuw over alle veroordelingen vaak het mededogen met de ander. Het is gemakkelijk de ander in z’n geheel af te wijzen en uit te sluiten en soms zelfs te ontmenselijken. Het blijft echter een grotere uitdaging om de ander niet uitsluitend als crimineel tuig te zien, maar ook als individuele mens die straks weer mee mag en moet doen. Mensen zijn tot heel dom gedrag in staat, maar die tijdelijke morele ontkoppeling definieert de mens niet. Laten we daar oog voor blijven houden.