Recensie

Recensie Media

Schaken als redding en bron van waanzin

Het Meesterwerk #23 Het kunstaanbod is schraal in coronatijd. Waarvan kun je, ook nu, nog wel genieten? NRC-recensenten gidsen je langs werken die afleiding bieden: tijdloos en coronaproof. Aflevering 23: Stefan Zweigs Schaaknovelle.

Eerste druk van Stefan Zweigs ‘Schaaknovelle’ uit 1942.
Eerste druk van Stefan Zweigs ‘Schaaknovelle’ uit 1942.

Na het kijken van The Queen’s Gambit en de verrassende overwinning van Jorden van Foreest in het Tata Steel-toernooi werd het deze week tijd voor wat eens een jaarlijks ritueel was: het herlezen van Stefan Zweigs Schaaknovelle.

Gevlucht uit zijn geliefde Europa voor de Jodenhaat van de nazi’s schreef de Oostenrijker dit kleine meesterwerk – het telt nog geen honderd pagina’s – tussen 1938 en 1941 in zijn ballingsoord Brazilië, niet lang voordat hij in 1942 zelfmoord pleegde.

Diezelfde dood wachtte de Amerikaanse schrijver Ernest Hemingway, die een goede roman vergeleek met een ijsberg, waarvan ongeveer één achtste – het boek zelf – boven de waterspiegel uitsteekt: de rest is bedacht, maar niet opgeschreven.

Ook achter de schaarse woorden in Schaaknovelle lijken zich tal van werelden te verschuilen. „Waar is bij dit spel begin en waar einde”, vraagt de hoofdpersoon zich af wanneer hij filosofeert over het wezen van het schaken. „Is het niet ook een wetenschap, een kunst, iets dat tussen deze beide categorieën zweeft zoals de kist van Mohammed tussen hemel en aarde?”

Onbegrensde combinaties

Het boek zelf lijkt evenzeer een mengsel van onbegrensde combinaties binnen een strak afgebakende belijning, in dit geval een passagiersschip waarmee de ik-figuur van New York naar Buenos Aires reist. Aan boord bevindt zich ook de wereldkampioen schaken, een merkwaardig en gesloten karakter, dat behalve zijn aanleg voor het spel geen enkel ander talent bezit. Maar boeiender nog blijkt de vreemdeling die het op het bord tegen hem zal opnemen, een landgenoot van de Oostenrijkse verteller.

Deze Dr. B. is vier maanden lang geraffineerd gemarteld door Hitlers geheime dienst Gestapo. Hij wordt opgesloten in een kamer in een hotel, met enkel een tafel, bed, waskom en een raam dat uitkijkt op een muur. Zelfs zijn horloge moet ingeleverd, om hem besef van tijd en plaats te laten verliezen en zijn wil te breken. „Je bleef reddeloos alleen met jezelf”, zegt hij. „Er was niets te doen, niets te horen, niets te zien, overal ononderbroken stond het Niets om je heen.”

Na een paar maanden weet hij – in een wachtkamer voor een verhoor – uit een officiersjas een boek te stelen met honderdvijftig legendarische schaakpartijen. Eerst speelt hij ze na op zijn geblokte beddenlaken met uit broodkruimels gemaakte stukken. Maar al snel heeft Dr. B die attributen niet meer nodig: het schaakbord zit in zijn hoofd. Het ritueel biedt zijn gekwelde geest een maand soelaas, waarna leegte en eenzaamheid weer beginnen te knagen. En dan volgt een noodlottige keuze: hij gaat tegen zichzelf schaken. Dr. B. splitst zichzelf op in een Ik Wit en een Ik Zwart. Die schizofrenie leidt tot „schaakvergiftiging” en zijn zenuwen begeven het. Genezen, vrij en op weg naar Zuid-Amerika ligt aan boord die waanzin weer op de loer wanneer hij tegen de wereldkampioen gaat schaken.

Bij elke herlezing lijkt het boek voller en rijker, vraag je je af of het Niets dat Dr. B. in zijn greep krijgt, lijkt op de leegte die Zweig tot zelfmoord zou drijven. De beklemming van het isolement, de opsluiting in de eigen gedachtewereld, de leefruimte die steeds kleiner en verstikkender wordt – deze woorden krijgen in coronatijd weer een andere dimensie. Dan overbrugt Schaaknovelle plotseling een gat van tachtig jaar, en behoort, gelijk het schaakspel, toe „aan alle tijden”. Net zoals ook Zweigs memoires De wereld van gisteren ook over vandaag gaan. Maar buiten dat blijft Schaaknovelle een meeslepend verhaal dat je elke keer weer ruim twee uur lang koortsachtig in zijn ban houdt.