Recensie

Recensie Boeken

Hoe nonnen zwangere meisjes straften

Ongehuwde moeders Tussen 1956 en 1984 moesten hier duizenden ongehuwde moeders hun kind afstaan. Christel Don interviewde tien van hen en onthulde hun gruwelijke verhalen.
Een opvanghuis voor afgestane baby's, 1938. Plaats onbekend.
Een opvanghuis voor afgestane baby's, 1938. Plaats onbekend.

Onvoorstelbaar, en bijna barbaars zijn de beschrijvingen in Afstandsmoeders van journalist Christel Don. Dit was óók Nederland, en niet eens zo lang geleden. Neem het verhaal van Merapi Obermayer, geboren op Java en op jonge leeftijd naar Nederland verhuisd. Haar ouders konden de zorg voor haar niet aan – haar vader leed aan lepra – en daarom groeide ze op in een katholiek internaat.

De nonnen waren streng, de straffen zwaar. Soms zat ze twee uur in ‘een donkere kast waarin je met moeite via het sleutelgat nog een beetje zuurstof kreeg’. Van haar veertiende tot haar achttiende werd ze seksueel misbruikt door een non.

Toen Merapi de kans kreeg, ging ze dansen in een soos die aan de kerk verbonden was. Daar kwamen jonge militairen uit nabijgelegen kazernes. Met één van hen had ze seks – tegen haar zin. Nadat ze voor de tweede maand op rij niet had gevraagd om maandverband, werd ze apart genomen door een non. Merapi vertelt: ‘Ze begon te schelden, gooide me op de grond en begon te trappen. Ik kromp ineen en sloeg in een reflex mijn armen om mijn buik – voor haar een bevestiging van haar vermoeden; ik was zwanger. Vervolgens trapte ze nogmaals op mijn buik, alsof ze ter plekke een abortus wilde veroorzaken.’

Autoritaire vader

Merapi Obermayer beviel op 22 juli 1968. Dus in de tijd dat buiten het internaat de jaren zestig in volle gang waren, de tijd van seks, drugs en rock-’n-roll. Op hetzelfde moment werden jonge meisjes die ongewenst zwanger raakten nog gedwongen hun kind af te staan voor adoptie, een praktijk die door zou gaan tot in de jaren tachtig. Abortus werd pas in 1984 legaal. Voor Afstandsmoeders interviewde Christel Don tien van die vrouwen.

Dit soort schrijnende verhalen waren voor de rijksoverheid in 2019 aanleiding om opdracht te geven tot een grootschalig onderzoek naar de gang van zaken rond afstand en adoptie in Nederland in de periode 1956-1984. Geen van de geïnterviewde vrouwen had een gelukkige jeugd, vaak hadden ze een autoritaire vader. De patriarchale samenleving was in de jaren zestig niet van de ene op de andere dag afgebroken. Naar de mening van de meisjes werd niet gevraagd. ‘Er is alleen óver mij gesproken’, zegt Jeannine van Dijck. Om de schande te beperken bevielen de meisjes in een tehuis, of bij familie aan de andere kant van het land.

De vader van Ricky Vosters vroeg wel aan de huisarts of abortus tot de mogelijkheden behoorde. Die zei: ‘Ik heb een adres voor jullie in Breda, maar besef wel dat dat bij iemand op de keukentafel is.’

Vastgebonden

De meeste vrouwen in het boek kregen hun kind niet te zien, ze wisten soms zelfs niet of het een jongen of een meisje was. Tijdens de bevalling werd er een handdoek over hun hoofd gelegd, of er werd een laken gespannen om het zicht op de baby te ontnemen. Merapi Obermayer werd geblinddoekt, haar handen werden vastgehouden, en toen ze schreeuwde, kreeg ze de hand van een non op haar mond.

Niet zelden kreeg de omgeving na de bevalling te horen dat het kind overleden was. ‘Van mijn thuiskomst herinner ik me vooral de stilte’, vertelt Anneke van Lingen.

De tien interviews bieden een indringend tijdsbeeld, dat wordt versterkt doordat de verhalen volledig in de ik-vorm zijn geschreven. Een bewuste keuze, schrijft de auteur in haar epiloog. Andere betrokken partijen – familieleden, vriendjes, geestelijken – komen niet aan het woord. Dat is jammer, want daardoor mis je als lezer toch wel context. Je vraagt je bijvoorbeeld af hoe representatief deze verhalen zijn. Tussen 1956 en 1984 werden ruim vijftienduizend kinderen geadopteerd. Waren er ook gevallen waarin dat wel goed ging? En waren er ook meisjes met liefdevolle ouders die hun dochter hielpen bij de opvoeding? Ook zou je graag meer lezen over de dubieuze rol van de (veelal) katholieke instellingen waar de meisjes terechtkwamen

De auteur noemt haar boek ‘een poging om grip te krijgen op de vraag hoe deze praktijken op zo’n grote schaal konden plaatsvinden’. Dat is niet helemaal gelukt. Het boek maakt des te meer nieuwsgierig naar het onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut naar afstand en adoptie in de periode 1956-1984 dat later dit jaar wordt afgerond.