Opinie

‘Noem mij geen antisemiet, maar hoe de Joden zich gedragen, dat vind ik absoluut verschrikkelijk’

Michel Krielaars

‘In tegenstelling tot wat doorgaans wordt aangenomen, was het verleden niet spannender dan het heden.’ Het zijn woorden van George Orwell. Hij schreef ze in de herfst van 1940 in zijn essay ‘My Country Right or Left’. Met dat spannende verleden doelde hij op de Eerste Wereldoorlog (15 miljoen doden) en met dat heden op de Tweede Wereldoorlog (70 miljoen doden), die net op gang was gekomen. Die zin was dus een rake opmerking, die je zo op de huidige tijd kunt toepassen, al valt de corona-epidemie vergeleken met die oorlogen nogal mee.

Orwell lezen is altijd een goed medicijn voor mensen die denken dat bepaalde gebeurtenissen in hun leven uniek zijn. Hij schreef al vroeg over armoede (in The Road to Wigan Pier), over de ontaarding van een revolutie (in Animal Farm), over de totalitaire staat en de gevaarlijke kiemen ervan in westerse democratieën (in 1984). En in 1945 hekelde hij in het essay ‘Antisemitism in Britain’ ook nog de voorlopers van Thierry Baudet (‘Vrouw uit de middenklasse: „Noem mij geen antisemiet, maar hoe de Joden zich gedragen, dat vind ik absoluut verschrikkelijk.”’).

Tien van Orwells essays zijn nu vertaald in de onlangs verschenen bundel Mijn land, rechts of links. En opnieuw ben ik onder de indruk van zijn scherpe en autonome manier van denken, waar menig politicus of burger een voorbeeld aan kan nemen. Zo bekent hij in het titelessay, als iemand die opgegroeid is in een militaristische wereld en opgeleid als koloniaal politieofficier, dat hij nog altijd in de houding springt bij het horen van het ‘God Save the King.’

En dan komt het: ‘Kinderachtig, toegegeven, maar ik verkies die opvoeding boven de mentaliteit van linkse intellectuelen die zo ‘verlicht’ zijn dat ze de simpelste gevoelens niet snappen.’ Vergeet niet, het is herfst 1940, de Battle of Britain is nog bezig. Orwell, die in deze dagen voorstander is van een revolutie tegen de heersende conservatieve elite, begrijpt als geen ander dat je juist nu patriottisme en militarisme nodig hebt om Hitler te kunnen verslaan. Denk na, zegt hij, en durf achter een ander vaandel aan te lopen.

In deze bundel staat ook het meesterlijke ‘Een olifant afschieten’ (1936). Het is een van de beste aanklachten tegen het kolonialisme die ik ken. Orwell schrijft hoe hij als politiechef in Birma wordt opgetrommeld om een op hol geslagen werkolifant te doden, die een Indiër heeft vertrapt. Voor zichzelf heeft hij dan al bepaald dat het imperialisme des duivels is en hij ontslag moet nemen. Ondanks die afkeer plant hij in zijn fantasie toch een bajonet in de buik van een van de boeddhistische monniken die hem dagelijks op straat uitschelden.

De opgewonden Birmezen verlangen nu van hem dat hij die olifant neerschiet. Maar hij heeft er geen zin in, omdat hij het dier begrijpt en ook omdat zo’n olifant kostbaar is. Onder druk van de uitzinnige menigte die hem achterna loopt, richt hij toch zijn geweer, alleen al om zichzelf een afgang te besparen.

Bij zijn eerste schot staan de Birmezen uitzinnig te joelen van vreugde. Maar één kogel is niet genoeg. En ook een paar andere niet. Het dier zakt weliswaar door zijn poten, maar blijft leven. Orwell vuurt nu zijn laatste kogels af in het hart en de keel van de olifant. Daarna loopt hij vol walging van zichzelf en zijn achtervolgers weg. Terwijl de ongelukkige olifant nog een halfuur lang zijn laatste adem uitblaast, snijden de Birmezen hem al aan stukken.